cantatediensten

(Op 2 november 2014 organiseerde de kerk van Huizinge een
cantatedienst in de Johannes de Doperkerk.
Uitgevoerd werd de Huizinger Hervormingscantate, geschreven
door Barbara de Beaufort en Kees Steketee.
Een jaar later volgde de Johannes de Doper cantate, wederom
geschreven door Barbara en Kees. Genoeg reden voor een pagina
cantatediensten op deze website.)

>  STARTPAGINA
>  KOORDIRIGENT

Cantatedienst 2 november 2014
Johannes de Doperkerk Huizinge

(Cantorij Ad Hoc, april 2014)

31 oktober is het Hervormingsdag. Op die datum in 1517 spijkerde
Maarten Luther zijn 95 stellingen aan de deur van de slotkapel te
Wittenberg. Daarmee begon, kort gezegd, de reformatie.
Luther was, anders dan Calvijn, vooral de man van de kerkmuziek.
Hij beschouwde muziek, die hij als een geschenk van God zag, als
het belangrijkste ná, dat dan weer wel, de theologie. Voor hem wordt
de kracht van het Evangelie vergroot door meerstemmige muziek,
die voertuig kan zijn van de Heilige Geest. Een gezongen evangelie-
motet kan zo fungeren als uitleg van de Schrift. Hier vooral zien we
een groot verschil met Calvijn die meerstemmige muziek (en ook
instrumentale muziek) tijdens de eredienst resoluut afwijst.
Hoe anders kun je de Hervormingsdag vieren én Luther eren, dan
juist met muziek.
Daarom is, speciaal voor de gelegenheid, nieuwe kerkmuziek
vervaardigd, in de vorm van een cantate, de zogenoemde Huizinger
Hervormingscantate. Barbara de Beaufort schreef teksten, waarin
denkbeelden van Luther worden verwoord, en Kees Steketee
componeerde de muziek, voor vierstemmig koor met bas- en
sopraansolo (Jan Smid en Gera van der Hoek), met daarin
overigens ook een ode aan Johann Sebastian Bach, bij uitstek de
componist van Lutherse kerkmuziek.

HUIZINGER HERVORMINGSCANTATE
teksten:       Barbara de Beaufort
muziek:       Kees Steketee

Over de tekst (door Barbara de Beaufort):

Een cantate over de Reformatie. Wat kunnen we ons daarbij vandaag nog
voorstellen? Toch, als je je er in verdiept, heeft het verhaal van Luther zeker
raakvlakken met de vragen van onze tijd. Op wat ons als 21ste eeuwers nog
zou kunnen aanspreken in zijn leven en zijn gedachtegoed zijn de teksten van
deze cantate gebaseerd.
Luther had een grote, haast ziekelijke angst voor de straffende God, in wiens
ogen hij het nooit goed genoeg kon doen om behouden te blijven. Om zijn
latere leer van de genade als enige grond voor rechtvaardiging te kunnen
begrijpen, moet dus eerst een tekst klinken die duidelijk maakt wat hem zo’n
angst heeft aangejaagd: het ‘Dies Irae’ (deel 1), een deel uit de dodenmis dat
gaat over de Dag der Wrake, het Laatste Oordeel. Ook als wij daar niet meer
letterlijk in geloven, kan de angst om niet te voldoen aan eigen of andermans
eisen ons beheersen.
Nadat hij monnik was geworden heeft Luther colleges gegeven, eerst over het
boek van de Psalmen en daarna over de brieven van Paulus. Daarom een duet
‘Oordeel of genade?’(deel 2) tussen Luther, die zijn wanhoop verwoordt door
middel van teksten uit de Psalmen, en de Engel van de Genade, die
hoopgevende teksten uit de Brieven zingt. Zij houdt vol dat de genade zal
overwinnen. Luther vraagt God om de wijsheid van het hart. Die wordt hem in de
stilte gegeven. Daarna bezingt hij zijn nieuwe inzicht: de ervaring van Gods
genade, waarna het koor afsluit met een jubelende psalmtekst over Gods trouw
(deel 3).
Daarop klinkt een ‘Loflied op de genade’ (deel 4), als verwoording van Luthers
besef dat wat wij zeggen en doen zinloos blijft als we daarmee ons leven
proberen te rechtvaardigen. Ten diepste kunnen wij onszelf niet dragen, maar
worden we gedragen door een liefde die aan ons bestaan, aan al ons denken
en doen vooraf gaat, en die we ‘om niet’ ontvangen.
In het ‘Lied van wel en niet’ (deel 5) gaat het om de poging van alle mystieke
teksten om te zeggen wat eigenlijk niet gezegd kan worden. Luther had een
mystieke kant. Zijn ervaring van genade was een mystieke ervaring, te vergelijken
met wat Paulus op weg naar Damascus meemaakte. Een manier om daarvan
iets voelbaar te maken is de mystieke paradox: je zegt iets en tegelijk zeg je het
tegenovergestelde. De woorden doen elkaar teniet en versterken elkaar, en in die
spanning kun je soms de eenheid van tegenpolen ervaren.
Maar uiteindelijk schieten alle woorden tekort. Gelukkig is er nog de muziek!
Volgens Luther een geschenk van God. Met dat geschenk heeft hij veel gedaan,
denk alleen al aan de liederen die hij ons heeft nagelaten (bijvoorbeeld ‘Een
vaste burcht…’). Daarom mag een ‘Lofzang op de muziek’ niet ontbreken. Eerst
in een recitatieve duetvorm (deel 6), en daarna door het koor met woorden uit de
psalmen (deel 7).
Helaas was ook Luther niet immuun voor de verstarring die zelfs de grootste
hervormer bedreigt. En ook wij zijn niet ongevoelig voor de illusie van het eigen
gelijk, dat altijd de waarheid zal blijven, en dat verdedigd moet worden tegen
andersdenkenden. Daarom een ‘Bede om beweeglijkheid’ (deel 8): dat de kerk,
dat wij, ons toch altijd opnieuw zullen laten hervormen door God. Dat wij zullen zijn
als de zee, die altijd hetzelfde is en altijd anders, die altijd haar plaats blijft innemen,
maar tegelijk eeuwig in beweging is.

Over de muziek (door Kees Steketee):

Als Dies Irae, dag des oordeels, (deel 1) klinken de eerste zeven coupletten van
Gezang 278 uit het Liedboek voor de Kerken. Het begint als een processie. De
mannen van het koor, eerst eenstemmig, vervolgens tweestemmig en daarna met
de sopranen en alten er bij het hele koor, vierstemmig. In het zevende couplet,
waarvan de tekst in de eerste persoon enkelvoud staat, wordt het weer eenstemmig,
de mannen unisono, alsof we alleen Luther horen.
We beluisteren (in deel 2) daadwerkelijk Luther, een bassolist, die zijn angst voor
Gods oordeel uitspreekt in vrij getoonzette Psalmteksten, een enkele keer ook met
flarden van ons bekende psalmmelodieën. Hem wordt de genade verkondigd, in
teksten van Paulus, door een sopraansoliste, af en toe met de letterlijke instemming
van het hele koor. Waar Luther zijn teksten in gedragen, soms reciterende tonen,
voordraagt, klinkt de genade met een speels, haast vrolijk thema. Aan het slot, Luther
weet het, ‘U bent de God die mij redt’, neemt hij het frivole genadethema over en
zingt van zijn Heer als zijn burcht.
Het koor beaamt (deel 3) de lofzang van Luther: ‘zijn woede duurt een oogwenk, zijn
liefde een leven lang’. En als het goed is horen we hoe kort een oogwenk is in
tegenstelling tot een leven lang.
Met dank aan Johann Sebastian Bach bezingt het koor vervolgens (deel 4) de genade.
In ‘het lied van wel en niet’ (deel 5) is de kern van het muzikale verhaal ‘de strijd met
God om God’ en ‘de vlucht naar Hem bij Hem vandaan’.
Na het begin, het ‘bewegen door de wind’, rustig getoonzet om alle aandacht op de
tekst te kunnen richten, zet de bassolist die strijd in. De sopraan bezingt enthousiast de
‘vrijheid in zijn strengst gebod’ en samen met de bas ‘wees opperheer en onderdaan’,
ingehouden beaamd door het koor. Terug naar het rustige bewegen, maar toch ook
weer de lof voor ‘die is, die was, die komen zal’.
Na al de woorden volgt (deel 6) de lofzang op de muziek. Wel weer, eigenlijk
onvermijdelijk, met woorden. ‘Woorden reiken naar de hemel maar hun armen zijn te
kort’. Het is alsof beide solisten hun armen wat langer willen maken.
‘Alleen muziek stijgt op zonder moeite, daalt lachend weer neer’. Zowel het opstijgen
als het lachend neerdalen wordt muzikaal uitgebeeld waarna de toelichting daarop
vorm krijgt door een consequente canon, in de kwint, van bas en sopraan. En zoals
het een echte aria betaamt, daarna da capo al fine. De armen zijn en blijven te kort…
Het koor zingt nogmaals (deel 7), net als in deel 3, de lof voor de Heer. En dan past
de tekst ‘zo lang ik leef’ mooi op de lange noten van ‘een leven lang’.
Na deze uitbundigheid tijd voor reflectie: het slotdeel (deel 8), de bede om
beweeglijkheid, om doorgaande reformatie. De beweeglijkheid zit, uiteraard, in het
speelse thema, hetzelfde als waarmee de genade in deel 2 begon. De koraalmelodie
van lied 837 uit het nieuwe liedboek, (ooit, in het Liedboek voor de kerken uit 1973,
gezang 170 ‘meester men zoekt u wijd en zijd’) geeft er haast als vanzelf mede vorm
aan.

Beluister hier een opname van de repetitie (op 28 oktober 2014).

I: Dies Irae
(Liedboek voor de Kerken 278: 1-7,
melodie: J. van Biezen, vertaling: J.W. Schulte Nordholt)

Dag des oordeels, dag des Heren.
Alles zal tot as verteren,
zoals de profeten leren.
Dag van schrik die aan zal breken
als de Rechter recht zal spreken
en het kwaad op aarde wreken.
De bazuinen zullen schallen
door het dodenrijk en allen
voor de troon terneer doen vallen.
Dood en schepping zullen beven
als de mens verrijst ten leven,
als hij rekenschap moet geven.
En dan wordt het boek gelezen
en de wereld wacht vol vrezen
hoe het vonnis wordt gewezen.
Is de Rechter dan gezeten,
dan zal Hij 't verborg'ne weten,
alle straf wordt toegemeten.
Waar moet ik dan van gewagen?
Welke helper moet ik vragen?
Niemand kan uw oordeel dragen.

II: Oordeel of genade?
(Teksten uit Psalmen en uit brieven van Paulus. Nieuwe Bijbelvertaling 2004)

(Psalm 6: 2-4)
Heer, straf mij niet in uw woede,
tuchtig mij niet in uw toorn.
Heb erbarmen, Heer, want ik kwijn weg.
Genees mij, Heer, ik ben doodsbang,
ik vrees voor mijn leven.
Hoe lang, Heer, moet ik nog wachten?

(Romeinen 3: 22-24)
God schenkt vrijspraak aan allen die in Jezus Christus geloven.
Er is geen onderscheid. 
Iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God; 
en iedereen wordt uit genade, om niet, door God als rechtvaardige aangenomen
omdat hij ons door Christus Jezus heeft verlost. 

(Psalm 22: 2-3)
Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?
U blijft ver weg en redt mij niet, ook al schreeuw ik het uit.
‘Mijn God!’ roep ik overdag, en u antwoordt niet,
’s nachts, en ik vind geen rust.

(Efeziërs 2:4-7)
Maar omdat God zo barmhartig is, omdat zijn liefde voor ons zo groot is,
heeft hij ons, dood door de zonden, samen met Christus levend gemaakt.
Ook u bent door zijn genade gered.
Hij wekte ons samen met hem uit de dood,
geeft ons een plaats in hemelse sferen, in Christus Jezus.
Zo zal hij, in de eeuwen die komen, laten zien
hoe overweldigend rijk zijn genade is,
hoe goed hij voor ons is door Christus Jezus.

(Psalm 22: 15-16)
Als water ben ik uitgegoten, mijn gebeente valt uiteen,
mijn hart is als was, het smelt in mijn lijf.
Mijn kracht is droog als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte,
u legt mij neer in het stof van de dood.

(Romeinen 5: 1-2)
Wij zijn als rechtvaardigen aangenomen op grond van ons geloof
en leven in vrede met God, door onze Heer Jezus Christus. 
Dankzij hem hebben we door het geloof toegang gekregen tot Gods genade,
die ons fundament is,
en in de hoop te mogen delen in zijn luister prijzen we ons gelukkig. 

(Psalm 30: 9-11)
U, Heer, roep ik aan, u, Heer, smeek ik om genade.
Wat baat het u als ik sterf, als ik afdaal in het graf?
Kan het stof u soms loven, en getuigen van uw trouw?
Luister, Heer, toon mij uw genade,
Heer, kom mij te hulp.

(Titus 3: 7-8)
 Zo zijn wij door zijn genade als rechtvaardigen aangenomen
en krijgen deel aan het eeuwige leven waarop we hopen. 
Deze boodschap is betrouwbaar. 

(Psalm 25: 5 / Psalm 51: 8b)
Wijs mij de weg van uw waarheid en onderricht mij,
want u bent de God die mij redt,
u leert mij wijsheid, diep in mijn hart.

(Psalm 86: 15 / Psalm 94: 22)
U, Heer, bent een God die liefdevol is en genadig,
U, Heer, bent een God, geduldig en trouw en waarachtig.
De Heer is mijn burcht geworden,
mijn God de rots waarop ik schuil.

III: Zing voor de Heer
(Teksten uit Psalmen. Nieuwe Bijbelvertaling 2004)

        
(Psalm 30: 5-6)  
Zing voor de Heer, allen die hem trouw zijn, loof zijn heilige naam.
Zijn woede duurt een oogwenk, zijn liefde een leven lang,
met tranen slapen we ’s avonds in, ’s morgens staan we juichend op.
Zing voor de Heer, allen die hem trouw zijn, loof zijn heilige naam.

IV: Loflied op de genade
(Muziek van Johann Sebastian Bach,
Jesus bleibet meine Freude
uit Cantate BWV 147)

Ontoereikend onze daden,
oeverloos de woordenvloed,
als niet Gij met uw Genade
onze ziel herleven doet.
Als een onverwachte zegen,
als een milde zomerregen,
drenk de grond van mijn bestaan,
draag mijn komen en mijn gaan.

V: Lied van wel en niet

Laat je bewegen door de wind
die waait tussen tegenpolen.
De God die je verstand niet vindt
houdt zich in onverstand verscholen.
Vergeet te weten waar je gaat,
de rechte weg ligt voor je voeten,
God die zich nimmer vinden laat
zal jou in ieder mens begroeten.

En strijdt met God de strijd om God,
en vlucht naar Hem bij Hem vandaan.
Vier vrijheid in zijn strengst gebod,
wees opperheer en onderdaan

Want Hij is eigen aan ons wezen
en vreemder dan het ver heelal.
Wie Hij ook is, Hij zij geprezen
die is, die was, die komen zal.

VI: Lofzang op de Muziek

Maar waarom nog in woorden over u spreken?
Woorden reiken naar de hemel, maar hun armen zijn te kort.
Alleen muziek, door u aan ons gegeven
stijgt op zonder moeite, daalt lachend weer neer,
omvat ons en troost ons, danst voor ons uit,
bevraagt ons en leert ons, ontgaat ons en legt
onze ziel onbeschut aan uw voeten. 

VII: Zing voor de Heer
 (Teksten uit Psalmen. Nieuwe Bijbelvertaling 2004)

(Psalm 30: 5 / Psalm 104: 33)  
Zing voor de Heer, allen die hem trouw zijn, loof zijn heilige naam.
Voor de Heer wil ik zingen zolang ik leef!
Een lied voor God zolang ik besta!
Zing voor de Heer, allen die hem trouw zijn, loof zijn heilige naam. 

VIII: Bede om beweeglijkheid
(koraalmelodie Nieuwe Liedboek 837, Ludvig Mathias Lindeman)

God hoor ons bidden in dit lied,
dat wij niet zullen verstarren;
dat ik uw wijde ruimte niet
met mijn gelijk zal verwarren.
O God, Gij die beweging zijt,
wil onze knopen in de tijd
steeds weer geduldig ontwarren.

Uw kerk, die u ter harte gaat,
dat zij, gevormd door uw handen,
zich steeds opnieuw hervormen laat,
niet in woestijn zal verzanden,
maar als de zee, zo jong, zo oud,
zich steeds vernieuwt, en toch vertrouwd
terugtrekt en keert op haar stranden.

Amen.

Cantorij Ad Hoc, de gelegenheidscantorij van de Johannes de
Doperkerk, die inmiddels bij zoveel gelegenheden in die kerk acte
de présence geeft dat je hem ook gewoon dé cantorij zou kunnen
noemen, voerde de cantate uit op zondagmiddag 2 november 2014.
Bij die gelegenheid werd ook het Van Vulpen koororgel, dat in
oktober 2014 in de kerk werd geplaatst ten doop gehouden.

>  STARTPAGINA
>  KOORDIRIGENT

Cantatedienst 25 oktober 2015
Johannes de Doperkerk Huizinge

In de Ommelander Courant verscheen op 22 oktober een interview met
Barbara de Beaufort en Kees Steketee.

Klik op het artikel voor een leesbare versie...

Beluister hier een opname van de uitvoering op 25 oktober 2015.

JOHANNES DE DOPER CANTATE
teksten:       Barbara de Beaufort
muziek:       Kees Steketee

Johannes de Doper. Naamgever van de Huizinger kerk. Waarom juist Johannes
de Doper? Men vermoedt dat de eerste kerken in deze omgeving (voorlopers van
de gebouwen die we nu kennen) vaak werden genoemd naar Bijbelse figuren die
dicht bij Jezus stonden.
Johannes blijft in de Bijbel een met vragen omgeven gestalte. Een afgeleide van
degene om wie alles draait: Jezus. Johannes was zijn neef, voorloper, wegbereider;
hij wijst altijd van zich af naar Jezus. ‘Hij moet groeien, ik moet minder worden.’
Maar wie was Johannes de Doper eigenlijk?
Deze cantate pretendeert niet het laatste antwoord op die vraag te geven, maar wil
wel Johannes in het volle licht van onze aandacht plaatsen. Daarbij wordt gebruik
gemaakt van Bijbelteksten, eigen teksten gebaseerd op Bijbelteksten, en
gebeurtenissen die in de verbeelding van de tekstschrijver op gang zijn gebracht
door de verhalen rondom Johannes.

(de cantorij, 27 gespannen gezichten, voorafgaande aan de cantatedienst)

1. Hoe lang nog ?

(De mensheid verwoordt het eeuwige verlangen naar iemand die hoop en troost
zal brengen. De uitroep ‘Hoe lang nog’ begint in een soort fuga-expositie. In plaats
van een antwoord op de vraag wordt hij alleen maar herhaald, en nog eens herhaald,
totdat de fuga-expositie dan maar afsluit in de grondtoon.)

Hoe lang nog dit wachten, tot alles is vervuld?

Wanneer zal het voorbij gaan
ons moeizame bestaan,
dit vechten om te leven,
zo ver bij God vandaan.

Hoe lang nog dit wachten, tot alles is vervuld?

Wie zal verlossend woord zijn,
een stem in de woestijn,
een hand op onze schouder
een weg uit onze pijn.

Hoe lang nog dit wachten, tot alles is vervuld?

2. Sprakeloos (Lucas 1: 9b, 11-14, 17-20)

(We horen hoe Zacharias met stomheid is geslagen na de boodschap van de engel:
zijn vrouw en hij zullen een zoon krijgen, die wegbereider wordt voor de Messias.
Het verhaal wordt reciterend verteld totdat de engel aan het woord komt. Zacharias
gelooft hem niet. Zowel de engel als Zacharias zingen hun tekst op een melodieuze
lijn, met daarbij passende akkoorden. ‘Maar omdat je geen geloof hebt gehecht aan
mijn woorden’ klinkt opeens anders, vreemde akkoorden, en als het goed is horen
we wat ‘stom zijn’ inhoudt: stilte, haast ongemakkelijk.)

Zacharias werd door het lot aangewezen om het reukoffer op te dragen in het heiligdom
van de Heer. Opeens verscheen hem een
 engel van de Heer, die aan de rechterkant van
het
 reukofferaltaar stond. Zacharias schrok hevig bij het zien van de engel en hij werd
door angst overvallen.
 
Maar de engel zei tegen hem: ‘Wees niet bang, Zacharias, je gebed is verhoord: je vrouw
Elizabeth zal je een zoon baren, en je moet hem Johannes noemen.
 Vreugde en blijdschap
zullen je ten deel vallen, en velen zullen zich over zijn geboorte verheugen. Als bode zal hij
voor God uit gaan met de geest en de kracht van
 Elia om ouders met hun kinderen te
verzoenen en om zondaars tot
 rechtvaardigheid te brengen, en zo zal hij het volk
gereedmaken voor de Heer.’
Zacharias vroeg aan de
 engel: ‘Hoe kan ik weten of dat waar is? Ik ben immers een
oude man en ook mijn vrouw is al op leeftijd.’
 
De engel antwoordde: ‘Ik ben Gabriël, die altijd in Gods nabijheid is, en ik ben uitgezonden
om je dit goede nieuws te brengen.
 Maar omdat je geen geloof hebt gehecht aan mijn
woorden,  zul je stom zijn en niet kunnen spreken tot de dag waarop dit alles gaat gebeuren.’

3. Wiegelied 

(Moeder Elizabeth zingt een wiegelied voor haar kleine zoontje, waarin ze zich afvraagt
of hij zijn vader ooit nog zal horen spreken…Maar dat gebeurt gelukkig halverwege,
als Zacharias Johannes zijn ware naam geeft.
Het moet natuurlijk vooral lief klinken. Een zes achtste maat, en de vrouwen uit het dorp,
op kraamvisite, zingen met Elizabeth mee. Als Zacharias weer kan spreken en van zich
wil laten horen, gaat hij van opwinding een terts hoger.)

(Elizabeth:)
Wie heeft de wolken hun weg laten gaan,
wie heeft de wind losgelaten?
Wie zendt het zilveren licht van de maan,
wie leert de zwaluwen praten?
Wie zal je wiegen en wie zal je warmen,
wie zal je wiegen in wachtende armen,
wie je bewaren, wie over je waken,
wie van je weren de duivels, de draken,
wie zal behoeden je hand en je voet,
wie je beminnen, zo bitter, zo zoet?
Slaap, slaap, mijn kind,
slaap, slaap, mijn kind.

Wie heeft de regen zijn tranen geleerd,
wie laat de zeeën bewegen?
Wie troost de harten, bezwaard en bezeerd,
wie zendt de zon met zijn zegen?
Wie zal je wiegen en wie zal je warmen,
wie zal je wiegen in wachtende armen,
wie je bewaren, wie over je waken,
wie van je weren de duivels, de draken,
wie zal behoeden je hand en je voet,
wie je beminnen, zo bitter, zo zoet?
Slaap, slaap mijn kind,
slaap, slaap mijn kind.

Wie zal je roepen, wie geeft je je naam,
zul je zijn stem ooit nog horen?
Stil staat de avondster achter het raam,
wordt ooit de morgen geboren?
Wie zal je wiegen en wie zal je warmen,
wie zal je wiegen in wachtende armen,
wie je bewaren, wie over je waken,
wie van je weren de duivels, de draken,
wie zal behoeden je hand en je voet,
wie je beminnen, zo bitter, zo zoet?
Slaap, slaap mijn kind.

(Zacharias:)
Slaap, slaap mijn kind.

Zo zul je heten: Johannes, Gods kind,
zo zul je heten op aarde.
Ook als je naam weer verwaait in de wind
blijf je van eeuwige waarde.

(Zacharias en Elizabeth:)
Wie zal je wiegen en wie zal je warmen,
wie zal je wiegen in wachtende armen,
wie je bewaren, wie over je waken,
wie van je weren de duivels, de draken,
wie zal behoeden je hand en je voet,
wie je beminnen, zo bitter, zo zoet?
Slaap, slaap mijn kind.
Slaap, slaap mijn kind.
Slaap, slaap Gods kind.

4. Stem in de woestijn

(Dit deel is gewijd aan het optreden van Johannes, en aan Jezus’ verzoek om
door hem gedoopt te worden. De sopraansax verklankt de ‘Stem in de woestijn’.
Eerst als een eenzame roepende, in haar eigen tempo, maar allengs aangepast
aan het ritme van de tekst, die afwisselend reciterend en dan weer melodieus
bedoeld is.)

(Johannes:)
‘Luid klinkt een stem in de woestijn:
Maak de weg van de Heer gereed,
maak recht zijn paden!’ (Marcus 1:3, citaat uit Jesaja)

Want hij die zou komen is nabij,
geliefde, gestalte van God is hij.

O hart van de ouders, keer om naar je kinderen.
Hart van de kinderen, keer naar je ouders.
Geen kloof, geen oneffenheid mag hem nog hinderen,
vrede draagt hij als een lam op zijn schouders.

(koor:)
O hart van de ouders, keer om naar je kinderen.
Hart van de kinderen, keer naar je ouders.
Geen kloof, geen oneffenheid mag hem nog hinderen.
Vrede draagt hij als een lam op zijn schouders.

(Johannes:)
Want ik doop met water, hij doopt met Geest.
Ik kom en ik ga, hij is altijd geweest.

(Johannes tegen Jezus:)
Hoe kan ik jou dopen? Wat heb ik te geven?
Ik kan ze bekeren, maar jij doet ze leven,
want ik doop met water, jij doopt met Geest,
ik kom en ik ga, jij bent altijd geweest.

(Jezus:)
Doop mij met water, God geeft ons zijn Geest,
wij zijn van beginne zijn kinderen geweest. 

Ook ik moet dat horen en leren geloven:
Gods liefde gaat alle verstand ver te boven.
Dus doop mij met water, God geeft ons zijn Geest,
wij zijn van beginne zijn kinderen geweest.

5. Gevangen

(Er wordt door middel van Bijbelteksten verteld hoe Johannes in de gevangenis
belandt.
Het verhaal begint ook weer als een recitatief, bij uitstek de vorm om een
verhalende tekst vorm te geven. Maar als de vraag gesteld wordt ‘bent u degene
die komen zou’ horen we dezelfde koormuziek als bij de vraag ‘hoe lang nog?’
uit deel 1.)

(Lucas 3:19-20)
Maar de tetrarch Herodes, die door Johannes was terechtgewezen in verband met
Herodias, de vrouw van zijn broer, en vanwege al zijn andere
 wandaden, voegde aan
alle slechte dingen die hij had gedaan nog toe dat hij Johannes opsloot in de
gevangenis.

(Marcus 1:14-15)
Nadat Johannes gevangen was genomen, ging Jezus naar Galilea, waar hij Gods
goede nieuws verkondigde.
 Dit was wat hij zei: ‘De tijd is aangebroken, het koninkrijk
van God
 is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.’

(Mattheüs 11: 2-3)
Toen Johannes in de gevangenis over het optreden van de Messias hoorde, stuurde
hij enkele van zijn
 leerlingen naar hem toe met de vraag: ‘Bent u degene die komen
zou of moeten we een ander verwachten?’
 

 6. Ben jij het ?

(Johannes verwoordt zijn eenzame twijfel: heeft hij zich vergist in zijn levensopdracht?
En misschien ook in Jezus zelf? Een wat gemeen speelse sopraansax lacht hem
haast letterlijk uit bij zijn vragen en twijfels. Maar op het eind is ze solidair: Bij
Johannes’ conclusie ‘ik weet het niet’ zwijgt ze even, om daarna toch maar weer
gezellig het stuk uit te spelen…)

(Johannes:)
Is dit het dan, mijn koninkrijk:
een celdeur en vier muren,
de dagen die maar duren,
dood binnen handbereik…

Is dit het dan, jouw koninkrijk?
Breng jij wat ik verwachtte:
een einde aan de machten
en iedereen gelijk?

Ben jij het dan, gewoon een man -
of toch uit God geboren?
Welk lot is ons beschoren,
passen wij in Gods plan?

Wie ben ik dan? Een wuivend riet,
dat jou de weg bereidde…
Liet ik me toch misleiden?
Door wie? Ik weet het niet.

7. Dans en dood

(We lezen Herodes’ reactie op de betoverende dans van Salomé, dochter van zijn
onwettige vrouw Herodias. Zijn ondoordachte poging om haar te belonen kost Johannes
het leven. Herodes betreurt zijn eigen daad, maar dan is het te laat.
Omdat de dans waarmee Salomé haar publiek en Herodes zo het hoofd op hol bracht
vast geen volksdansje was, is gekozen voor het ritme van de van oorsprong erotische
sarabande. Als Johannes daadwerkelijk om het leven wordt gebracht hebben we daar
geen woorden voor, maar gelukkig is daar weer de sopraansax die probeert de dramatiek
van het moment met hoge wulpse noten te verklanken. En intussen gaat die sarabande
maar door.)

(Mattheüs 14: 6)

Toen Herodes een feest gaf ter gelegenheid van zijn verjaardag, danste de dochter
van Herodias te midden van de aanwezigen, en dat viel bij
Herodes in de smaak.

(Herodes:)
‘Glanzende lokken,
zwierende rokken,
ogen als sterren…
Hoe zou ik jou weerstaan?

Zilveren banden,
klappende handen,
dansende voeten…
Voor jou de zon en de maan.

Voor jou mijn macht en troon,
voor jou mijn koningskroon.
Jouw wens is mijn bevel!

Glanzende lokken,
zwierende rokken,
ogen als sterren…
Hoe zou ik jou weerstaan?’

(Herodias tegen Salomé:)
‘Laat hij je geven
een mensenleven.
Dood mijn tegenstander:
Johannes is zijn naam!’

(Herodes:)
‘Zo zal geschieden.
Hoor mij gebieden
zijn hoofd op een schotel…
Johannes was zijn naam.

Maar wat heb ik gedaan
door haar dit toe te staan?
Een dans gesmoord in bloed!

Glanzende lokken,
zwierende rokken…
Wie zal mij vergeven
de moord door ons begaan?’

8. Waarom ?

(‘Waarom moest het zo gaan?’ vragen Elizabeth en Maria zich af.
Ze herinneren zich gelukkiger tijden, toen ze beiden in verwachting waren van een
heel bijzondere zoon. Maria vreest (terecht) ook voor haar eigen kind.
Elkaar imiterend nazingend blijft het ‘waarom’ maar klinken, haast tot vervelens toe.

(Elizabeth en Maria:)}|
Waarom moest het zo gaan?
Hij heeft toch niets misdaan?
Is dit het lot van wie door God gezonden zijn?
Waarom moest het zo gaan?

(Elizabeth:)
Ik zie je nog, Maria, hoe jij toen bij me kwam.
Zo jong en zo van God vervuld, je kind onder je hart.

(Maria:)
Ik zie je nog Elizabeth, je kwam me tegemoet.
Johannes sprong op in je schoot, zo werden wij begroet.

(Elizabeth en Maria:)
Waarom moest het zo gaan?
Hij heeft toch niets misdaan?
Is dit het lot van wie door God gezonden zijn?
Waarom moest het zo gaan?

9. Verdrietig wiegelied

(Elizabeth zingt opnieuw het wiegelied, waarin de tederheid van vroeger een donkere
ondertoon van rouw krijgt. Ze ontvouwt zich als een soort Mater Dolorosa.
Deze keer neemt niet Zacharias de muziek over, maar Maria, Ze probeert Elizabeth
te troosten. Aan het slot zingen ze samen, en ook de vrouwen uit het dorp zingen in
hun droefheid mee.)

(Elizabeth:)
Wie heeft jouw leven zijn weg laten gaan,
wie heeft je hand losgelaten?
Wie heeft gedragen dit korte bestaan,
of ben je van ieder verlaten?
Mocht ik je wiegen, ach mocht ik je warmen,
mocht ik je wiegen in smachtende armen,
ach alle nachten maar over je waken,
eeuwig verjagen de duivels, de draken!
Mocht ik behoeden je hand en je voet,
waarom is liefde zo bitter, zo zoet?
Slaap, slaap voorgoed,
slaap, slaap voorgoed.

Wie heeft de regen zijn tranen geleerd,
wie laat de bloemen verkwijnen,
wie troost de harten bezwaard en bezeerd,
zal ooit deze leegte verdwijnen?
Mocht ik je wiegen, ach mocht ik je warmen,
mocht ik je wiegen in smachtende armen,
ach alle nachten maar over je waken,
eeuwig verjagen de duivels de draken!
Mocht ik behoeden je hand en je voet,
waarom is liefde zo bitter, zo zoet?
Slaap, slaap voorgoed,
slaap, slaap voorgoed.

Wie zal je roepen, wie noemt nog je naam,
kun je mijn stem daar nog horen?
Stil staat de avondster achter het raam -
zijn wij je voor altijd verloren?
Mocht ik je wiegen, ach mocht ik je warmen,
mocht ik je wiegen in smachtende armen,
ach alle nachten maar over je waken,
eeuwig verjagen de duivels, de draken!
Mocht ik behoeden je hand en je voet,
waarom is liefde zo bitter, zo zoet?
Slaap, slaap voorgoed.

(Maria:)
S
laap, slaap voorgoed.

(Elizabeth en Maria:)
Toch zul je blijven: Johannes, Gods kind!
Zo was je naam hier op aarde.
Ook nu je naam weer verwaait in de wind
blijf je van eeuwige waarde.
Mocht ik je wiegen, ach mocht ik je warmen,
mocht ik je wiegen in smachtende armen,
ach alle nachten maar over je waken,
eeuwig verjagen de duivels, de draken!
Mocht ik behoeden je hand en je voet,
voor jou al mijn liefde, zo bitter, zo zoet.
Slaap, slaap, voorgoed,
slaap, slaap voorgoed.

10. Danklied

(Een danklied van de christenheid in het algemeen en de gemeente van Huizinge
in het bijzonder, waarin ze Johannes vraagt om als naamgever van de kerk en
wegbereider van het Heilige de gemeente in haar hopen en bidden bij te staan.
Er is gekozen voor de melodie van lied 752 uit het Nieuwe liedboek, Gezang 439
uit het Liedboek voor de kerken van 1973, ‘Es glänzet der Christen inwendiges
Leben’ (Halle, 1704). Het is, zo lezen we in het Compendium bij dat liedboek, “qua
vorm eigenlijk een in arioso-stijl geschreven kunstlied. De spanning tussen
gemeente- en solo-lied, kenmerkend voor de baroktijd, is hier overduidelijk
merkbaar. (…) De melodie slaat een opvallend ‘weltlichen, scheinfrivölen Ton’ aan.”
Een prachtig lied waarvan de meeslepende melodie om meeslepende akkoorden
vraagt.)
  

(koor:)
Johannes de Doper, zo kostbaar jouw leven!
Voor wie jou beminden, voor ons nu en hier.
Veel heb je gegeven, veel liet je ons vinden:
een glimp van de wijsheid, de deur op een kier.
Want ons diepste verlangen
het is niet te vangen
wij kunnen het enkel een plaats toebereiden
en God zal ons zelf met zijn toekomst verblijden.

(koor + gemeente:)
Johannes de Doper, wij mogen verwachten
wie ons gaat te boven, een Liefde zo wijd
dat geen duistere machten die ooit zullen doven,
een groet uit de hemel, een vonk eeuwigheid.
Om van jou te leren
jouw voorbeeld te eren
bezingen wij dankbaar je naam in ons midden!
Blijf hier met ons hopen, blijf hier met ons bidden.

>  STARTPAGINA
>  KOORDIRIGENT

Cantatedienst 29 november 2015
De kerk van Farmsum

Op 29 november volgde op verzoek van een Delfzijler die erg onder de indruk
was van de cantatedienst in Huizinge nog een uitvoering.
Deze keer in een cantatedienst in de kerk van Farmsum.
Begeleid door het Meijer-orgel (1878).
Kijk hier voor het affiche.

En beluister hier de opname.

En hier staan de teksten.

   

Cantatedienst 26 juni 2016

Op 26 juni 2016, twee dagen na de officiële naamdag van Johannes de Doper,
werd de Johannes de Dopercantate nogmaals in Huizinge uitgevoerd.
Beluister hier de opname.
En hier staan de teksten.

Cantatedienst 6 november 2016

Op 6 november 2016 werd de Oogstcantate (het verhaal van Ruth) ten doop gehouden
tijdens een cantatedienst in de Johannes de Doperkerk te Huizinge.

Beluister hier de opname.

OOGSTCANTATE (het verhaal van Ruth)
teksten:       Barbara de Beaufort
muziek:       Kees Steketee
 

Ruth, een prachtig geschreven Bijbelboek dat terecht zeer geliefd is. Een oogstverhaal,
dat begint met hongersnood en lege velden, en eindigt na een geslaagde gersteoogst,
als Noömi tegen alle verwachting in weer een kind op haar schoot heeft. Een verhaal
dat op onsentimentele toon en zonder te moraliseren verlies en geluk, zelfmedelijden
en onzelfzuchtigheid, wanhoop en moed, dood en nieuw leven dooreen weeft.
En je intens laat meeleven met Noömi in haar bitterheid, het moeilijke besluit van Orpa,
de stille volharding van Ruth, de verliefde vindingrijkheid van Boaz en de solidariteit van
de inwoners van Bethlehem.
Het thema van de aarde, die neemt en geeft, verbindt tijdelijke mensenlevens met
de eeuwig wisselende seizoenen. Maar het gaat ook over de buitenlandse, die zich
moet redden in een vreemd land. En over het werkelijk zien van wie de ander is. Over
inzicht in je eigen gedrag, over het veranderen van je beeld van God. En over de namen
die dreigden voorgoed uit de geschiedenis te vallen, maar toch weer meegevlochten
worden in de komende generaties.

 1. Zonder dat je zelf weet hoe

(Vele mensen in dit verhaal - en daarbuiten - zoeken naar het goede. Het koninkrijk van
God, in welke gedaante dan ook. Maar hoe belangrijk onze ijver ook is, er is altijd nog
een andere kracht werkzaam, die we nooit zullen doorgronden. De Bijbeltekst wordt
muzikaal verklankt door een bescheiden fugathema dat is opgebouwd, vooruitlopend,
op de eerste tonen van het slotkoraal van de cantate, de melodie van Gezang 910.)

Alzo is het koninkrijk Gods als een mens die zaad werpt in de aarde,
en slaapt en opstaat, nacht en dag,
en het zaad komt op en groeit, zonder dat hij zelf weet hoe. (Marcus 4:26-27)

2. Blijven of gaan?

(Er is hongersnood in Bethlehem, en Elimelech en zijn vrouw Noömi besluiten om met
het gezin hun eigen akkers te verlaten en in Moab op zoek te gaan naar eten. Hoe
verschrikkelijk moet het toen voor hen, en nu voor de vele vluchtelingen van onze tijd,
zijn geweest om je thuis achter te moeten laten. Dat gevoel wordt geïllustreerd door
klagende puncteringen op‘moedergrond’ en ‘geboortegrond’ maar ook door de
sopraansax, die als een soort kanttekening volksliedflarden laat horen.)

Moedergrond, geboortegrond,
je akkers zijn verlaten,
kaal onder onbarmhartig licht.
De honger staart ons in ’t gezicht,
de dood waart door je straten.

Moedergrond, geboortegrond,
moet ik je achterlaten
en gaan waar ik de weg niet weet
en brood van vreemde bodem eet
tussen wie God vergaten?

Moedergrond, geboortegrond,
verbreken wij ons oud verbond?
Jij die mijn eerste woord verstond…
Ik kijk niet om, ik kijk niet om, ik kijk niet om -
mijn moedergrond.

3. Op de grens

(Na een tijd in Moab slaat het noodlot toe. Noömi besluit gedesillusioneerd om terug
te keren naar Bethlehem. Haar schoondochters komen voor een dilemma te staan:
met haar meegaan of terugkeren naar hun eigen familie. Blijkbaar houden ze veel
van haar, al lijkt het of Noömi die liefde niet echt kan aannemen. Orpa’s rol in dit
verhaal is hierna uitgespeeld, hoe zou het haar verder zijn vergaan…?
Na de als een recitatief getoonzette tekst uit de Bijbel zingt Noömi haar klaaglied.
Ruth en Orpa klagen in een canon (in de kwint) mee, maar aan het eind lopen hun
woorden door elkaar en uit elkaar.)

Toen ze in Moab waren aangekomen, bleven ze daar als vreemdeling wonen.
Na enige tijd stierf Elimelech, de man van Noömi, en zij bleef achter met haar twee zonen. 
Zij trouwden allebei met een Moabitische vrouw. De naam van de ene was Orpa,
die van de andere was Ruth.
Nadat ze daar ongeveer tien jaar gewoond hadden, stierven ook Machlon en Kiljon,
en de vrouw bleef alleen achter, zonder haar twee zonen en zonder haar man. (Ruth 1: 2b-5 NBV)

Noömi:
Leeg is mijn hart en dor, als een verlaten akker.
Mijn man, mijn beide zonen, God heeft ze weggemaaid,
en mij is hij vergeten, een strohalm zonder waarde.
Niets houdt mij hier nog vast; ik ga terug naar huis.

Orpa en Ruth:
Maar moeder Noömi, vergeet ons niet!
We deelden liefde en verdriet.
Wij volgen je in wel en wee,
moeder Noömi, neem ons mee.

Noömi:
Ga toch terug naar huis, ik heb je niets te bieden.
Geen zonen en geen hoop, mijn toekomst is voorbij.
Ga terug naar waar je hoort, God geve je zijn zegen.
Wat hij aan mij onthoudt, geeft hij wellicht aan jou

Orpa:
Moeder Noömi, dat wil ik niet,
maar wat jij als het beste ziet,
dat heb ik al die tijd gedaan.
Een laatste kus, dan zal ik gaan.

Ruth:
Moeder Noömi, dat doe ik niet!
Wat ook jouw vreemde land mij biedt
en hoe het ons ook zal vergaan
ik ga nooit meer bij je vandaan.

4. Aankomst

(De rest van de weg wordt er gezwegen. Noömi heeft het blijkbaar opgegeven om
Ruth op andere gedachten te brengen. Zo komen ze samen aan in Bethlehem, en
Noömi baart daar nogal wat opzien. Over Ruth geen woord, althans niet in het echte
Bijbelverhaal. De tekstschrijver kon het niet laten toch een regeltje aan haar te wijden.
Leedvermaak klinkt door in de yell-achtige inzet van het koor. Na Noömi’s klacht
lijkt dat leedvermaak te worden vermengd met medelijden. Boeiend om te ervaren
hoe dezelfde noten door verschillend interpreteren ook heel verschillende
emoties kunnen oproepen.)

Zo kwamen ze samen terug uit Moab, Noömi en haar schoondochter Ruth, de Moabitische.
Ze kwamen in Betlehem aan bijhet begin van de gersteoogst.     (Ruth 1: 22 NBV)

Mensen van Bethlehem:
Hee, moet je zien, dat is toch Noömi?
Die vrouw die hier is weggegaan,
naar ergens ver van ons vandaan.

Hee, moet je zien, dat is toch Noömi?
Die wilde zo graag in Moab wonen
met haar man en haar twee zonen.

Hee, moet je zien, dat is toch Noömi?
Wat is ze grijs, wat is ze oud…
Wie is dat, die haar hand vasthoudt?

Ze was met vier, nu nog met twee -
kom, we gaan kijken, ga je mee?

Noömi:
Jullie oogst moet nog beginnen,
ik ben leeg en dor van binnen.
Noem me niet Noömi, noem me Mara,
want God heeft mijn lot zeer bitter gemaakt.
Hij heeft mij wie ik had ontnomen,
hij heeft me in mijn ziel geraakt.

5. Doe dat maar

(Ruth zit ondertussen niet bij de pakken neer. Haar zorg voor Noömi en haar praktische karakter
brengen haar tot het plan om aren te gaan lezen op een akker waar geoogst wordt, dan hebben
ze tenminste iets te eten. En daar ontmoet ze na lang wachten de eigenaar van de akker, Boaz,
voor het eerst. Het koor bezingt het allemaal in de vorm van een aanvankelijk rustig en
beschouwend koraal. Na enige tijd wordt de rusteloosheid van Ruth even hoorbaar.
Op weg naar de uitnodiging om ‘het brood met ons vandaag’ te eten keert het beschouwelijke
in het koraal terug. )

Ruth, de Moabitische, zei tegen Noömi:
‘Ik zou graag naar het land willen gaan om aren te lezen bij iemand die me dat toestaat.’  
Noömi antwoordde: ‘Doe dat maar, mijn dochter.’ 
(Ruth 2: 2 NBV)

Daar gaat ze, met een rechte rug, de vroege ochtend in.
Wie kent haar hier, is dit een kans, een zoektocht zonder zin?
Wie ziet haar staan, wat is haar recht, ze is een vreemdeling -
moet ze zich schamen voor haar nood? Wie ziet haar aarzeling?

Haar voeten gaan al voor haar uit, daar is de akkerrand.
Ze staat, en wacht, bedwingt haar hart, haar rusteloze hand.
En dan is daar die ene man, hij spreekt haar vriendelijk aan…
Is dit waarom ze alles waagt, waarom ze is gegaan?

Daar staat ze, met een rechte rug. Ze stelt haar stille vraag
en hoort: ‘Wees welkom hier en deel het brood met ons vandaag.’

6. Terugkomst

(Ruth is niet voor niets naar de akker gegaan die dag. Hoewel het aren lezen voor een vrouw
niet zonder risico was, is ze vriendelijk ontvangen. Boaz is de eerste in Bethlehem die haar
echt ziet staan. Hij blijkt haar voorgeschiedenis te kennen en waardeert haar trouw. En zo komt
Ruth thuis, met genoeg eten voor twee! Noömi weet niet wat ze ziet! De tekst is geschreven op de
melodie van Gezang 910. De sopraansax speelt een triolenbeweging die haast onafgebroken en
stuwend doorgaat, net als het werk op de akker. Samen met de koormelodie, die er soms in achtsten
tegenaag zingt, klinkt zo het moeizame gevoel van dat harde werken. Maar aan het eind (na 'nu zal
het beter gaan') kan die triolenbeweging net zo gemakkelijk ook dienen om enthousiasme uit te
drukken...)

Je armen zwaar van ‘t zoeken,
je nek door zon verbrand,
je voeten stuk van ’t lopen
over het stoppelland,
maar stralen doen je ogen,
je kijkt Noömi aan:
de honger is verleden
nu zal het beter gaan.

7. Slapeloos

(Die nacht, ieder in hun eigen huis, kunnen Ruth en Boaz  het beeld van de ander niet
uit hun hoofd  zetten. Slapeloos van de ene zij op de andere draaiend denken ze terug
aan de verwarrende ontmoeting van die dag. Klopte het, dat gelukkige gevoel voor het
eerst echt gezien te worden, gezien voor wie je bent? Of was het toch een  inllusie?
In de muziek vechten de gevoelens van twijfel en voorzichtige opwinding en blijdschap
om voorrang. 'Ik kan niet slapen' wordt zo een haast vrolijke canon, (wie heeft wie nou
gezien?) beaamd en nagezongen door het koor.)

Ruth:
Heeft hij mij gezien?
Of ben ik een vreemde in zijn ogen,
die je vroom hoort te gedogen,
heeft hij op me neergekeken,
mij met anderen vergeleken -
of hij heeft hij mij gezien?

Boaz:
Heeft zij mij gezien?
Of zag ze een baas met strenge ogen
die op rijkdommen kan bogen,
die alle vrouwen krijgen kan,
een oude, arrogante man -
of heeft zij mij gezien?

Ruth en Boaz
Ik kan niet slapen, tel de uren,
hoe lang zal de nacht nog duren…
Heeft hij/zij mij gezien?
Heb ik jou gezien?

8. Noömi’s plan

(Maar ook in Noömi’s leven speelt zien, inzicht, ineens een rol. Ze begint te
beseffen  wat Ruth voor haar heeft gedaan. Ze ziet in dat het nu haar - Noömi’s -
beurt is om initiatief te nemen en zich om Ruths toekomst te bekommeren.
En ze bedenkt een gewaagd plan, waarin Boaz een beslissende rol speelt.
Noömi zingt, en het koor leeft zingend met haar mee, in vooral snelle noten.
Des te eerder zijn we aan het liefdeslied toe…)

Wat ben ik blind geweest.
Verblind en vol van eigen leed
alsof geen mens er meer toe deed.
Wat ben ik blind geweest.

Zij zorgde steeds voor mij,
in stilte, zonder groot misbaar.
Maar wat heb ik gedaan voor haar?
Zij zorgde steeds voor mij.

De toekomst is aan haar!
Een man, een huis, wie weet een kind…
De liefde, die ook ons verbindt,
de toekomst is aan haar.

Ga naar de dorsvloer toe
en trek je mooiste kleren aan,
ga nu, en God zal met je gaan!
Ga naar de dorsvloer toe.

9. Op de dorsvloer

(Het is allemaal mooi bedacht door Noömi: ‘Maak je op, trek je mooiste kleren aan,
ga naar de dorsvloer en leg je neer aan de voeten van de slapende Boaz.
Dan zal hij zal wel zeggen wat je moet doen.’ Maar het risico is voor Ruth. Zo lang
is ze actief geweest: ze is gegaan, ze heeft gewaagd, verzorgd, verzameld
en thuisgebracht. Nu rest haar niets meer dan wachten, hopen en haar hoofd
koel houden. De muziek begint met weer een triolenthema, afgeleid van het thema
uit deel 6. Deze keer door het orgel. Nu niet om iets moeizaams uit te drukken,
maar juist om verwachtingsvolle blijdschap te laten klinken. Om het nog eens
extra te accentueren speelt aan het slot de sopraansax het liefdesthema,
getransponeerd, nog een keer.)

Ruth:
Hoog staan de sterren, de nacht spreidt haar vleugels,
bewaart haar geheimen in donker fluweel.
De aarde is warm waar ik lig, aan je voeten,
mijn ogen wijd open, mijn hart in mijn keel. 

En van alle grenzen die ik moest passeren,
is dit dan de laatste? Je adem, vlakbij…,
je slaapt ongestoord, - zal ik ongezien opstaan,
dan leef je je leven wel voort zonder mij.

Boaz:
Van wie is die stem die mijn naam noemt, wie ben je?
Wat doe je hier, - Ruth, ik herken je gezicht!
Wat wil je, wat zoek je, - je hoeft niet te vluchten,
ga niet bij me weg voor de morgen licht.

Mag ik je beschermen, mag ik je behoeden,
mag ik van je houden, voorbij deze nacht?
De God die je volgde, je moed en vertrouwen,
de liefde - zij hebben ons samengebracht.

Ruth en Boaz:
Hoog staan de sterren, en warm is de aarde,
bewaart ons geheim ongezien, ongezegd.
En wat kan ons deren en wie kan ons scheiden
nu liefde haar armen om ons heeft gelegd.

10. Een kind is haar geboren

(De nacht op de dorsvloer is voorbij. Boaz heeft Ruth een omslagdoek vol graan
meegegeven voor Noömi. Hij beloofde haar dat hij zowel Noömi’s land als Ruth
zelf zou proberen te verwerven, om zo de naam van Elimelech te laten voortleven.
De volgende dag houdt Boaz woord: hij ruimt wat er nog ligt aan juridische obstakels
op en trouwt met Ruth. Hun huwelijk wordt gezegend met een zoontje: Obed.
De vrouwen van Bethlehem zetten hem bij Noömi op schoot. Nu heeft zij, die man
en zonen verloor, wier toekomst was afgebroken, weer een (klein)kind om voor te
zorgen. Noömi durft haar God weer een God van levenden te noemen.

Het yell-achtige thema waarmee in deel 4 leedvermaak werd uitgedrukt kan nu
goed dienst doen om de blijde verbazing van de dorpsgenoten te verklanken.
En dezelfde muziek die in dat deel Noömi’s klacht liet horen klinkt nu, met wel
hier en daar een andere harmonie, juist heel dankbaar. Zoals eerder gezegd:
dezelfde noten kunnen door een andere interpretatie een heel andere emotie
oproepen. Het fugathema van deel 1 vormt, gezongen door Noömi, Ruth en
Boaz een haast vanzelfsprekende brug naar het slotkoraal.) 

Mensen van Bethlehem:
Hee, kijk, moet je zien, dat is toch Noömi?
Is dit echt dezelfde vrouw
die hier kwam in diepe rouw?

Hee, kijk, moet je zien, hoe ze lacht, Noömi,
want Ruth die bij haar wilde wonen
is meer waard dan zeven zonen!

Hee, kijk, hoe ze straalt, grootmoeder Noömi!
Alsof ze in dit kleine kind
een bron van troost en liefde vindt.

Ze was met twee, en nu met vier
Kom kijken naar dit wonder hier!
Hee, kijk, moet je zien, hoe ze straalt, Noömi!

Noömi
Mijn leven is opnieuw begonnen,
ik heb een rijke oogst gewonnen.
Noem mij weer Noömi, de lieflijke,
want God heeft mijn lot ten goede gekeerd,
hij heeft mij dit gezin gegeven
van wie ik zoveel goeds heb geleerd.

Noömi:
Obed, parel van je moeder!

Ruth:
Obed, vreugde van je vader!

Boaz:
Obed, rijkdom van Noömi!

Gedrieën:
Want nieuw leven, nooit vermoed,
lacht in jou ons tegemoet.

11. Het lied van alle namen

(De naam van Elimelech, de namen van Machlon en Kiljon, ze dreigden voorgoed
te worden uitgewist. En de betekenis van de naam van Noömi – de lieflijke – leek
zijn zin voor altijd te hebben verloren.
Zoals zoveel namen van vroeger en nu uit de geschiedenis lijken te zijn gevallen.
Maar je weet nooit wanneer en hoe dat wat ooit met tranen is gezaaid alsnog
opkomt, en met gejuich wordt geoogst.
Een muzikaal uitroepteken, geschreven op de melodie van Gezang 910.
En dat uitroepteken wordt in het tweede couplet nog eens extra benadrukt door
de canonische sopraansax, hoog boven koor en gemeente.)

(koor:)
Het lied van alle namen
die dwalen door de nacht,
die naam voor naam verzameld
door u zijn thuisgebracht -
wij zingen het vol vreugde!
De oogst is goed en groot.
De liefde die wil helen|
is sterker dan de dood.

(allen:)
Het lied van alle namen
die ooit gegeven zijn,
met lief en leed beladen
genoemd in hoop en pijn -
het zal gezongen blijven
tot aan de jongste dag:
de tranen die wij zaaiden
ontbloeien tot een lach.

Cantatedienst 27 november 2016

Op 27 november 2016 werd de Oogstcantate nogmaals uitgevoerd.
Ditmaal in een cantatedienst in de kerk van Farmsum.

Beluister hier de opname.

Kijk hier voor de teksten.

Vesper 4 maart 2017

In het kader van de herdenking van 500 jaar Reformatie voerden we de
Huizinger Hervormingscantate uit in een Vesper op 4 maart 2017 in de
Nicolaikerk te Appingedam.

Beluister hier de opname.

En kijk hier voor de teksten.

>  STARTPAGINA
>  KOORDIRIGENT