recente columns      

> COLUMNIST
> STARTPAGINA

Op deze pagina treft u steeds de meest recente column(s) aan.

Voor de columns van de afgelopen twee jaar:
In januari 2019 verscheen een nieuwe verzamelbundel:
Zo lust ik er nog wel een

Transfer
(12 oktober 2019)

Ooit maakte Johan Cruyff de overstap van Ajax naar Feyenoord. Dat
was groot nieuws. Hij was het niet eens met het beleid van Ajax, of
met zijn salaris, of misschien wel met allebei, en haalde zijn gram door
naar Rotterdam te gaan. Prompt werd hij met Feyenoord dat seizoen
landskampioen.
Veertien dagen terug (het is jammer dat de kerkbode niet meer
wekelijks verschijnt, zo heb je toch snel dat je actuele verhaal oud
nieuws wordt, maar ik vind het opmerkelijk genoeg om het er toch nog
even over te hebben) las ik in de krant een verhaal over een andere
overstap van Amsterdam naar Rotterdam. Het was niet zo
wereldschokkend als indertijd de transfer van Cruyff, maar kennelijk
belangrijk genoeg om er aandacht aan te besteden. Het was een
groot stuk met dito foto.
Het ging om organist Jos van der Kooy. Jarenlang, wat zeg ik, veertig
jaar was hij organist van de Westerkerk in Amsterdam, en nu ging hij
daar weg en was benoemd aan de remonstrantse Rotterdamse
Arminiuskerk. De man is 67 jaar. Het beleid van de Amsterdamse
PKN is dat er verjongd moet worden. Het contract van Van der Kooy
loopt af en dus komt er een einde aan zijn bezigheden in de
hoofdstad. Het bizarre is dat de Westerkerkgemeente hem liever
helemaal niet kwijtraakt, maar men schikt zich in het kennelijk
onvermijdelijke.
De laatste tijd verbaas ik me wel vaker. Ik zie vacatures van
organistenbanen in meestal grote stadskerken, waarbij ik denk,
waarom zou de organist daar weg gaan? Ik ken niet elke collega in
Nederland, maar het ging in die organistenadvertenties een paar keer
om mensen die ik wel ken, jongens van mijn eigen generatie.
Kennelijk zijn we intussen te oud… Mocht ik al de illusie hebben op
zo’n baan te kunnen solliciteren dan hoef ik dat dus niet te proberen,
los van het feit dat ik het erg naar mijn zin heb op mijn huidige
orgelbank.
Terzijde: Het is natuurlijk goed om op tijd te stoppen. Je kunt er beter
zelf een punt achter zetten dan dat je gaat zitten wachten tot de
gemeente zuchtend en steunend ervaart dat het beste er nou toch
langzamerhand wel helemaal af is..
Jos van der Kooy kwam zelfs langs in het ontbijtnieuws van WNL. Hij
had het niet over verjonging, verplicht vertrek, er was geen boosheid,
hij vertelde dat hij naar Rotterdam ging, niet vanwege het orgel, want
dat is een stuk minder interessant dan dat in de Westerkerk, maar
vanwege de gemeente, waar muziek van hoge kwaliteit erg wordt
gewaardeerd, en waar hij dus zijn muzikale ei uitstekend kwijt kan.
Maar ik neem aan dat hij dat in Amsterdam ook wel kon…
In het ontbijtprogramma speelde hij op het Rotterdamse orgel ‘Tulpen
uit Amsterdam’. Jammer, denk ik dan, het moet weer lollig. De tv
kijker moet niet denken dat het orgel een ouderwets saai
muziekinstrument is. Het klonk een beetje als een draaiorgel. Hij
vertelde erbij dat dat moest kunnen, ‘Tulpen uit Amsterdam’ op een
orgel in Rotterdam. Hij had in Amsterdam ook wel eens een
Rotterdams lied gespeeld tijdens de dienst, en we hoorden wat
flarden van ‘Hand in hand, kameraden, hand in hand voor Feyenoord
1’, en dat had ook gekund, want zoals de kijker kon zien leefde hij
nog. Tja…
Nochtans wens ik hem veel speelplezier in het Rotterdamse!

Dierenleed
(26 oktober 2019)

Er wordt wat af geprotesteerd dezer dagen. Boeren rijden in hun
trekkers naar Den Haag, er zijn klimaatprotesten, protesten tegen een
dreigende korting op pensioenen, en ga zo maar door.
Ik hoorde onlangs van een nieuwe actie. Het ging om het behoud van
een wild schaap. De moeflon. Die kwam van oorsprong niet in
Nederland voor, maar is in de twintiger jaren van de vorige eeuw
geïmporteerd. Ik weet niet met welk doel, maar het bleek dat
hobbyjagers het leuk vonden om op het dier te jagen. Ik noem het
woord hobbyjagers, dat heb ik zelf niet bedacht. Toen we nog
Batavieren waren móesten we wel jagen om aan onze vitamine B12,
ons ijzer en ons zink te komen, tegenwoordig hoeft dat niet meer.
Jagers jagen nu soms om de natuur een beetje te helpen bij het in
stand houden van de juiste verhouding tussen de soorten wild
(waarbij de mens dan kennelijk degene is die bepaalt wat juist is!) en
soms dus als hobby.
Het gaat met de natuur best redelijk. Dat klinkt misschien gek, maar ik
hoor dat het erg goed gaat met de muizenpopulatie in het noorden, ik
lees in een ingezonden stuk dat je hier en daar struikelt over de
vossen, en ook de wolf heeft zijn plekje weer gevonden, kortom, de
natuur leeft!
Maar de eerder genoemde moeflon heeft het moeilijk. Let wel, een
schaap dat hier eigenlijk niet eens hoort. Wat is het geval. Zoals in de
natuur gebruikelijk is, leeft het ene dier van het opeten van het
andere. Het gaat goed met de wolf. En die gebruikt graag een
moeflon om zijn honger te stillen. Het schijnt dat er daardoor op de
Hoge Veluwe zo’n veertig moeflons minder zijn dan je zou mogen
verwachten. De vereniging van moeflonjagers luidt dan ook de
noodklok: hun quasi wilde schaap moet gered!
Het is een bizarre hobby. Dieren uitzetten om te bejagen. Ik had ooit
een vage kennis die in zijn kippenhok door zijn kippen eieren van
fazanten liet uitbroeden, vervolgens de jonge fazanten het hok uit joeg
en er in het weekend met vrienden en zijn buks achteraan ging.
Ik had het er over dat het goed gaat met de muizenpopulatie. Dat is
natuurlijk een rare zin. We hebben het dan over een muizenplaag. Er
zijn er veel te veel. Meer dan goed voor ons is. Vooralsnog hebben wij
er weinig last van. Ik zie wel gaten in het gras waar ze hun holletje
hebben (denk ik, ik ben geen natuurkenner), maar zolang ze buiten
blijven vind ik het best. En het is grappig om te zien hoe de katten uit
de buurt door de tuin sluipen, op zoek naar een prooi die ze helemaal
niet nodig hebben. Die katten gedragen zich dus eigenlijk ook net als
onze hobbyjagers. Alleen noemen we het dan geen hobby, maar
instinct.
Zoals gezegd, ik ben geen natuurkenner. Als een dier kan vliegen
weet ik dat het een vogel is, en als een haas een beetje onhandig
loopt zal het wel een verwilderd konijn zijn. Maar ik hou wel van de
natuur. Afgelopen week was het nodig de ramen te wassen. Vooral de
kozijnen en dorpels waren behoorlijk besmeurd met afvalstoffen van
allerlei dieren. Ik wilde het niet, maar heb noodgedwongen heel wat
spinnenleventjes in de kiem gesmoord. En dat deed best pijn…

Taal
(9 november 2019)

Taal is en blijft een boeiend onderwerp. We hebben er allemaal
dagelijks mee te maken. Ik hou van taal. Ik vind het mooi om er mee
bezig te zijn. Je hebt van die families waar iedereen gelijk “dan ik”
roept, als iemand “als mij” zegt. Piet is groter als mij, of zoiets.
Ik vond het dan altijd leuk om zinnetjes te bedenken waarin “als mij”
wel goed is. Bijvoorbeeld: “Jou geeft pa net zo’n klein stukje vlees als
mij…” Het nadeel van drie zussen die dan direct “dan ik” riepen, was
dat de inhoud van de mededeling, dat wij maar een klein stukje vlees
kregen, volledig verloren ging.
Dat is ook het gevaar van zo’n taalhobby. Als ik teksten lees met
storende taalfouten, rare verwijzingen (“het orgel, die…”),verkeerde
werkwoordsvormen die je levensgroot aanstaren, ben ik al zodanig
afgeleid dat het me niet meer lukt het verhaal serieus te nemen.
Aan de andere kant heb je mensen die met taal bezig zijn en die het
zo goed moeten doen dat het daardoor onbegrijpelijk wordt. Als je met
juridische taal te maken hebt kom je soms de meest hoogdravende en
daardoor onbegrijpelijke zinsconstructies tegen. Ik heb vaak het
gevoel dat de schrijver zich met zulk taalgebruik door zijn onmacht
heen bluft. Als je als lezer een ingewikkelde tekst als onzin ervaart
heb je de neiging te denken dat je niet slim genoeg bent om te
snappen wat er staat. Terwijl ik dan tegenwoordig, ouder, wijzer en
minder bescheiden, gewoon wéét dat het onzin is.
Aanleiding voor dit verhaal is het bericht, op teletekst, dat “het kabinet
extra taalexperts gaat inzetten om overheidsteksten voor alle burgers
begrijpelijker te maken. (…) Het ministerie van Binnenlandse Zaken
begon vorig jaar een campagne om zijn ambtenaren taalles,
voorbeeldbrieven en schrijftips te geven. Maar er moet een schepje
bovenop, vindt staatssecretaris Knops, met de ‘Direct Duidelijk
Brigade’ (ja, echt, zo heet die…) bestaande uit coaches en
ambassadeurs. De extra bijscholing kost drie miljoen euro.”
Ik wist eerst niet of ik het bericht serieus moest nemen, maar toen in
elke talkshow op de televisie taaldeskundigen verschenen, en ook de
kranten er grote artikelen over schreven, begreep ik dat het ernst was.
Ambtelijke taal moet helderder! Voor drie miljoen…
In de krant lees ik dat ambtenaren “behoefte hebben aan concrete
tips. Daarom krijgen ze workshops over basisvaardigheden: gebruik
geen jargon, geen lijdende vormen en korte zinnen.” Ik mag dus niet
zeggen dat hier onduidelijkheid wordt geschapen (een lijdende vorm),
maar dat vind ik wel, want moeten de mensen op het stadhuis nou wél
of géén korte zinnen schrijven?
Degene die deze tekst maakte heeft waarschijnlijk ooit geleerd dat je
in een opsomming geen komma zet vóór het woord ‘en’. Maar soms
moet het leven sterker zijn dan de leer. Zeggen wat je bedoelt – dan
kunnen we lezen wat er staat - is de beste manier om duidelijke taal af
te leveren.
Op zich vind ik wollige taal en jargon niet zo’n probleem. Maar dat er
pertinente leugens worden geschreven (zoals in een enquête over
zomer- dan wel wintertijd, waarin werd gesuggereerd dat het met
zomertijd ’s zomers eerder donker wordt, hetgeen door minister
Ollongren werd weggelachen, ik schreef er in januari over) is veel
erger.
Het allerergste is natuurlijk om onwaarheden te verstoppen in een
schier onnavolgbare stijl in vakjargon. Dan heb je niet eens door dat je
voor het lapje wordt gehouden….

Autoloos
(23 november 2019)

Het was in de tijd, lang geleden, dat we Groningers werden. Van
Nieuwerkerk, Schouwen-Duiveland, verhuisden we naar Middelstum.
De benzine kostte nog geen 80 cent (€ 0,36) per liter. Er was die
winter een olieboycot met als gevolg een oliecrisis. We kregen de
autoloze zondag, en later ging de benzine op de bon. Tijdens die
autoloze zondagen ging ik nog wel eens een weekend op en neer
naar Zeeland. De terugreis begon op zondag na middernacht, en in
het midden van het land was het dan druk.
Het was ook de tijd dat ik wel eens kerkdiensten begeleidde in
Kantens (voor 3 gulden per dienst!) en ik weet nog dat ik een keer op
schaatsen vanuit Middelstum daarheen reed. Het was toen niet
vanzelfsprekend dat je als gereformeerde jongen je schaatsen op
zondag mocht onderbinden, maar met een beroep op Psalm 138
durfde ik het wel aan. Ik reed immers ook nog eens naar de kerk: Ik
zal mij buigen op uw ijs naar uw paleis! In Kantens aangekomen bleek
dat ik mijn schoenen in Middelstum had laten staan, zodat ik het orgel
op sokken bespeelde, iets wat mijn leraar mij altijd ten strengste
verboden had.
Even dreigde de geschiedenis zich te gaan herhalen. Er was weer
sprake van autoloze zondagen. Stikstofproblematiek. Nu wordt het
maximaal 100 rijden op de snelweg. Iets wat ik tot een paar maanden
geleden graag deed. Mooie CD in de CD-speler, sigaartje aan, auto
op de cruise control, en rustig met 100 over de snelweg zoeven.
Soms moest je wel eens inhalen. Dan gaf ik wat gas bij. Ik wil mensen
achter mij niet in de weg rijden!
Maar sinds we onze auto hebben ingeruild hebben we geen CD
speler meer. Dat schijnt ouderwets te zijn. (Ik weet nog de opwinding
toen de CD op de markt verscheen: wat een kwaliteit!) En een asbak
wordt ook niet meer standaard meegeleverd tegenwoordig… Dus
zonder sigaar en luisterend naar datgene dat de radio toevallig te
bieden heeft, en me vaak niet bevalt, wordt het lastig om me aan die
zo ontspannende 100 kilometergrens te gaan houden.
Zeker als je af en toe even een vrachtwagen wilt inhalen. Maar dan
rijden er wel van die schoolmeesters voor je die, waarschijnlijk ook op
hun cruise control, zich precies aan de 100 houden. Van die lui die
ook naar je knipperen als je je mistlampen aan hebt voor een beter
zicht op de berm. Mistlampen die niet verblindend zijn, maar officieel
mogen ze niet branden als het niet mistig is, en dat is dan voor zo’n
brave borst aanleiding om mij daar op te wijzen.
De stikstofcrisis heeft te maken met een rechterlijke uitspraak. Door
een onafhankelijke rechter. Je kunt in hoger beroep. Bij een college
dat ook onafhankelijk is. Ik vind het allemaal best, maar een rechter in
wat voor college dan ook is toch ook maar een mens, en heeft zijn
mening. En in elke mening zit toch altijd iets subjectiefs. Misschien
bestaat een objectieve mening wel helemaal niet. Trump was er niet
voor niets na zijn aantreden als de kippen bij om republikeinse
rechters aan te stellen.
Hier en daar is men niet blij met die 100 kilometer per uur. Wilders
spreekt van ‘hoogverraad aan de automobilist’, de VVD heeft het over
‘een offer’. Dat valt, objectief gezien, wel mee. En anders ga je toch
lekker ’s nachts 130 rijden. Dan is het stikstofprobleem kennelijk
minder ernstig...

(Kinder)postzegels
(7 december 2019)

Deze week realiseerde ik me opeens dat ze niet geweest waren. Tot
nu toe was het elk jaar raak. Meestal op een woensdag, ik meen
ergens in september, om iets na twaalven werd er aangebeld door
een jongen of meisje uit de buurt met de vraag of we kinderpostzegels
wilden kopen. Het was voor die kinderen een sport om zo snel
mogelijk na schooltijd zoveel mogelijk adressen af te werken.
Leo was ooit zo slim om in een flatgebouw aan de slag te gaan. Dan
had je weinig tijdverlies met het reizen van de een naar de ander.
Elk jaar kocht ik wel een paar setjes postzegels. De laatste jaren
deden we er wel steeds langer over om ze op te maken. Je kon ze
ook niet voor elke gelegenheid gebruiken. Een condoleancekaart met
een vrolijk plaatje in de rechterbovenhoek vonden we minder
passend. Daar kon je toch  beter een ernstig kijkende vorst voor
gebruiken.
De postzegels waren een stuk duurder dan de waarde die ze
vertegenwoordigden. Het verschil was een bijdrage aan het goede
doel. Wat mij irriteerde was dat er de laatste jaren op de bestellijst een
extra regel stond waar je nog een vrije gift kon noteren. Hoe meer
postzegels je kocht, hoe meer er al voor het goede doel overbleef. Ik
vond dat wel genoeg.
Wat trouwens ook een probleem werd de laatste tijd was het aspect
veiligheid. Vroeger betaalde je direct en contant en het
postzegelhandelaartje kon snel naar het volgende adres.
Tegenwoordig moet er naast naam en adres nog van alles ingevuld
worden. Een machtiging met doorslag, en ik geloof dat je het
banknummer dan weer niet direct mag geven maar dat dat later via
een mail wordt geregeld, waarvoor je dus ook je mailadres moet
noteren, kortom, er is heel wat administratie voor nodig om die paar
euro liefdadigheid te kunnen verwerken.
Uit het verleden weet ik nog dat er een keer een prijsvraag was onder
schoolkinderen. We moesten een tekening maken die als illustratie
zou kunnen dienen op de postzegels. Een jongen van onze school
was één van de winnaars. Ik zie zijn tekening nog voor me: een grote
rode tractor met een mannetje er op. Hij zat niet bij ons in de klas.
Meester deed er een beetje meewarig over: “Hij had waarschijnlijk
gewonnen omdat de jury dat wel mooi vond: zo’n kind uit een
boerendorp dat een tractor tekent.” Het was wel sneu  dat zijn
tekening werd gebruikt voor een postzegel van 45 cent. Dergelijke
postzegels had je alleen nodig als je een héle zware brief moest
versturen, of een pakje.
Hoe het ook zij, het kost vandaag de dag minimaal vier van die zegels
van 45 cent (20 eurocent) om een brief te kunnen versturen. Per 1
januari is dat zelfs niet meer genoeg: In de krant zag ik de kop
“Postzegels worden weer duurder”. Dat vond ik raar: een postzegel
van 45 cent blijft toch een postzegel van 45 cent. Maar vanaf volgend
jaar kost het versturen van een brief 91 cent. “Ook het pakkettarief
stijgt. PostNL noemt
de stijging gematigd en in lijn met de afgelopen
jaren.”
Misschien zijn ze daarom wel niet geweest met kinderpostzegels. Er
blijft steeds minder over voor het goede doel!
(En de PTT zet al jaren niet meer de prijs maar een grote ‘1’ op de
zegels, dan valt het niet op hoe duur ze zijn…)

Salarisstrookje
(21 december 2019)

Mijn eerste salarisstrookje was nog echt een strookje. Een reepje
papier van 30 centimeter lang en niet meer dan een paar centimeter
breed. Er stond op genoteerd wat ik die maand had verdiend en wat
er werd ingehouden aan belasting en premies. Zo was er een VUT
premie en ook een inhouding onderwijspersoneel. Gewoon, omdat het
barre tijde waren.
Er stond ook een bedrag reiskosten ingevuld. Ik weet nog dat die
reiskosten het meeste indruk op me maakten. Het feit dat ik aan het
werk was geweest en daarvoor werd betaald had wel iets
vanzelfsprekends, maar dat ik ook nog een bedrag kreeg omdat ik
kosten moest maken om op mijn werk te komen ervoer ik als een
grote weelde. Waarbij ik wel moet zeggen dat er collega’s op andere
muziekscholen waren die niet alleen hun kilometers vergoed kregen,
maar ook nog eens een bedrag voor de tijd die dat reizen hun kostte.
Dat is nog eens wat anders dan die kennis van me die bij de PTT
werkte en, als ze om acht uur begon, moest zorgen dat haar computer
dan opgestart was. Ze begon dus in feite elke dag om kwart voor acht.
Zo’n salarisstrookje was een doorslag van een heel blad met
gegevens dat de boekhouder op zijn typemachine maakte voor zijn
administratie. Onder elke regel zat een perforatierand en zo kon hij
voor elke docent de betreffende informatiereep afscheuren. En die
werden dan in onze postvakjes gelegd, zodat collega’s, als ze dat
wilden, van elkaar konden zien wat ze verdienden. Privacy deden we
nog niet aan…  
Het blad dat je tegenwoordig krijgt, een A4-tje vol met bedragen en
inhoudingen, noemen we nog steeds een salarisstrookje. De meeste
mensen kijken naar het eindbedrag. Dat krijg je op de giro en daar zul
je het mee moeten doen tot de maand weer om is…
Klaas Dijkhoff, de fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer,
heeft een auto met chauffeur. Dat lijkt me tamelijk comfortabel. Wat
ook comfortabel is, is een uitkering van tienduizenden euro’s aan
wachtgeld per jaar omdat hij staatssecretaris en een blauwe maandag
minister was. Met zijn baan als fractievoorzitter verdient hij kennelijk
niet genoeg om rond te komen. Na kritiek op dat wachtgeld gaat hij
daar van afzien, maar en passant kwam iemand er achter dat hij ook
nog 5000 euro per jaar reiskosten ontvangt. Een beetje vreemd als je
jezelf laat rondrijden. Dijkhoff zei dat hij niet had gemerkt dat hij
reiskosten kreeg. 5000 euro per jaar is 400 per maand. Ik weet niet
wat je als kamerlid verdient, maar ik zou het wel zien als op mijn
salarisstrookje 400 euro extra stond.
Typisch een VVD’er, denk ik dan, een zakkenvuller. Maar er is ook
nieuws over een Groen Links mevrouw. Zij had een officieel
woonadres in Leeuwarden maar brengt haar nachten doorgaans in
Den Haag door. Dat is natuurlijk ook wel zo praktisch als je daar
werkt. Ze ontvangt ook reiskosten. Logisch als je elke week op en
neer reist. Alleen blijkt het om een bedrag van ongeveer 25.000 euro
per jaar te gaan. Dat is dus 500 euro per week, erg veel voor een
retourtje Leeuwarden-Den Haag.
Het jaar loopt op zijn einde. Naast het salarisstrookje krijgen we een
jaaroverzicht. Misschien valt de grootte van de bedragen dan wél
op…
“Het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen,” zei mijn pa
altijd.

Goede voornemens
(4 januari 2020)

Het voelt wat onhandig om, nog voor het Kerst is, de column voor de
eerste week van januari te schrijven.
Geen idee hoe de Kerst verlopen is, hoe Oud en Nieuw. Ik hoorde
iemand zeggen dat de jaarwisseling in Nederland jaarlijks meer ogen
kost dan de oorlog in Syrië. Vreemde vergelijking. Telt hij dan de
mensen die alleen een oog verloren hebben, of ook hen die
gesneuveld zijn? Want dát gebeurt toch gelukkig nog niet op grote
schaal vanwege vuurwerk.
Geen idee ook in hoeverre er in Scheveningen nog een brandstapel
geweest is. Het stoken van zo’n vuur is het jaarlijks hoogtepunt in het
leven van veel Hagenezen. Ik steek nooit vuurwerk af. Niet uit
principe, maar gewoon, omdat ik er niks aan vind.
We hadden de klimaattop. Die zou je mislukt kunnen noemen. En in
Nederland moeten we dringend iets doen aan de stikstofproblematiek,
hetgeen heeft geresulteerd in de afspraak nergens meer harder dan
100 kilometer per uur te rijden. Alleen is het probleem kennelijk niet zo
heel dringend, want die snelheidsbeperking gaat pas per 1 maart in.
En alleen overdag.
Bij ons in de buurt, op pakweg 150 meter van ons
huis, wordt gewerkt aan het bouwen van tijdelijke woningen.
Wisselwoningen of logeerwoningen, daar wil ik af zijn. De harde
werkers hebben de radio er bij aan, en ik hoorde het nieuws, ik kon
het uitstekend verstaan op die afstand, van een zender die tevens
wist te melden waar er op dat moment snelheidscontroles waren. Dan
hoef je je alleen maar dáár, en op dat moment, aan de maximum
snelheid te houden. Dan helpt het allemaal niet veel. Ik kreeg
trouwens dezelfde dag een aanbieding van Peugeot in mijn mailbox
om voor een paar tientjes in mijn auto een app te installeren die me
waarschuwt voor snelheidscontroles. Doe mij maar liever een CD
speler…
Ikzelf heb nooit goede voornemens. Maar ik weet donders goed dat ik
ook mijn bijdrage lever aan ons klimaatprobleem. Zo begin ik elke dag
met de krant. Maar wel een papieren exemplaar. Daar hou ik van. En
ik rij wel eens in de auto. Ook wel eens afstanden die ik zou kunnen
fietsen. Ik drink veel koffie en rook af en toe een sigaar. En ik lust
graag een stukje vlees. Als we zuurkool eten, of boerenkool, of
stamppot andijvie vind ik dat vooral lekker vanwege de worst of de
spekjes!
“Er is zoveel lekkers op vegetarisch gebied,” zei iemand me eens,
“met vruchten, en noten…” Zal best maar ik houd noch van vruchten,
noch van noten. Wat zeg ik, als ik een gevulde koek krijg geef ik die
noot, die er blijkbaar per se op moet, altijd aan een eventueel
aanwezige huisgenoot. Of hij gaat in de afvalboek. De groene. Dat
wel.
Onze verwarming werkt op, weliswaar heel weinig, gas. En zo kan ik
nog wel een poosje doorgaan.
Ik adem de hele dag in en uit. En dat heeft ook zo zijn effect.
Ik kan heel wat goede voornemens bedenken, maar ik ben ook nog
eens een babyboomer (boomer is verkozen tot hét woord van 2019!),
een blanke hetero man, dus veel zin heeft dat allemaal niet…
Nochtans wens ik u allen veel succes, mocht u wél goede
voornemens hebben, en daarnaast, via deze papieren krant, alle
goeds voor 2020!

Praatprogramma
(18 januari 2020)

Het valt niet mee, dagelijks een praatprogramma vullen.
“Wij trappen hier vandaag het Beethovenjaar af.”
Het was Matthijs van Nieuwkerk die besloot dat op dat moment, 8
januari 2020, het Beethovenjaar begon. Afgezien van het feit dat
Ludwig pas op 16 december 1770 werd geboren, dus het duurt nog
een maand of elf voor hij echt 250 jaar geleden geboren is, vroeg ik
me af of de heer Van Nieuwkerk dat bepaalt.
Als gasten had hij Maarten ’t Hart en Peter Buwalda, die zich eerst
vermaakten met wat flarden Elvis Presley omdat die op die dag 85
jaar zou zijn geworden. Toen het echt over Beethoven ging kregen we
wat fragmentjes van bekende Beethovenstukken te horen (maximaal
anderhalve maat per stuk!) en werd er bepaald wie nou de beste
componist uit de geschiedenis was. ’t Hart kiest voor Mozart, Buwalda
voor Beethoven, “omdat hij doof was…” alsof dat te horen zou zijn
aan het uiteindelijke resultaat. Het is dezelfde discussie die je krijgt als
er een oud schilderij opduikt. Als het van een willekeurige schilder is
hoor je er niemand over, maar als het Rembrandt blijkt te zijn is het
opeens een topstuk. Of als in een verder onopvallend orgel opeens
oud historisch pijpwerk blijkt te staan. Dat orgel gaat niet anders
klinken als we dat ontdekken.
Matthijs van Nieuwkerk wekt wel vaker de indruk alsof hij de maat der
dingen is. Nu we in een talkshowoorlog zijn beland wil hij de
presentatoren van de NPO-versie wel ontvangen en er minzaam mee
spreken. De heren presentatoren hadden het hoogste woord, de
dames zaten er wat stilletjes bij en een tafelheer was vooral bezig met
zichzelf te presenteren.
Eva Jinek is verhuisd naar RTL. Een uitstekende interviewster die de
overstap maakte, met een groot deel van haar redactie in haar
kielzog. Waarschijnlijk, nee, natuurlijk omdat de commerciëlen heel
wat meer salaris kunnen bieden dan de NPO die zich heeft te houden
aan de Balkenendenorm: niemand die van publiek geld wordt betaald
(behalve Van Nieuwkerk) mag meer verdienen dan de minister
president. Mark Rutte vertelde dat dat zo’n 7000 euro netto is. Hijzelf
vindt het meer dan genoeg. Ik ook.
Maar Eva Jinek kennelijk niet. Het is natuurlijk ook een zware klus. Vijf
dagen in de week zo’n programma presenteren. Gelukkig wordt het
voorbereidend werk allemaal gedaan door een grote redactie. Ik hoop
dat die hardwerkende mensen ook een pittige salarisverhoging
hebben gekregen!
Overigens krijg ik de indruk dat het bij RTL nog weer zwaarder is dan
bij de publieke omroep. Jinek praat harder en sneller. Bang om de
aandacht te verliezen? Voor je het weet zapt de kijker weg. Meestal is
een reclameblok zo’n moment. RTL zendt vooralsnog geen reclame
uit tijdens de uitzending om dat wegzappen te voorkomen. En als de
NPO om half elf begint, begint RTL om tien voor half elf, waarna de
NPO een reclameblok skipt om toch nog net iets eerder te kunnen
starten. Groot voordeel voor ons als kijker is dat je op een normale tijd
kunt gaan slapen.
Intussen gaan praatprogramma’s, en ook mijn verhaal hier, vooral
over praatprogramma’s. En het eerste item in het ontbijtnieuws de
volgende morgen zijn de kijkcijfers. Enthousiast kondigt de NPO aan
dat ze alweer gewonnen hebben 830.00 tegen 790.000.
Straks krijgt Jinek weer reclame tussendoor. Dat is maar goed ook.
Kan ze even uitblazen…

Gender
(1 februari 2020)

Mijn tweelingzus en ik leken niet heel erg op elkaar. Ik was een
tamelijk rustig jongetje. Mijn zus had een wat steviger temperament.
Mensen die mijn moeder met ons beiden in het dorp tegenkwamen
zeiden wel eens gekscherend dat ik het meisje had moeten zijn en zij
de jongen.
Tegenwoordig zou zo’n opmerking een heel andere impact hebben. Ik
hoor verhalen van kinderen die vanaf hun tiende jaar beginnen met
hormonen te slikken omdat ze zich niet thuis voelen in het lichaam
waarin ze geboren zijn. Ik weet dat het bestaat maar kan me er
tamelijk weinig bij voorstellen.
Mijn zus speelde met poppen en ik met autootjes. Vaak hoor je dat we
worden geconditioneerd om als jongen jongensdingen te doen en als
meisje meisjesdingen. Dat zal ook best wel zo zijn. Maar toen we als
kleuter allebei een VW-dinky toy kregen werd de hare al snel bij mij in
de garage geparkeerd. Dat zij met poppen speelde en ik met
autootjes en bouwstenen werd niet door onze omgeving bepaald. Het
was allemaal in huis, de autootjes, de poppen en de bouwstenen. Die
autootjes mogen bij de Hema geen jongensspeelgoed meer heten, en
de poppen mogen vooral niet te duidelijk voor meisjes zijn bedoeld.
En ook qua kleding mag de verkoper bij kinderkleren niet meer
vermelden of het een meisjes- dan wel een jongensjas is. Het lukt me
trouwens als man niet eens om (bij mezelf) een vrouwenjas dicht te
knopen.
Ik snap het allemaal wel maar vind ook dat wij als Nederlanders altijd
zo doorslaan.
Ik begrijp ook niet hoe het is om transgender te zijn. Dankzij Nikki
Tutorials, een onverklaarbaar wereldberoemde vrouw, is het
onderwerp actueel. Je bent een jongen maar voelt je een meisje, of
andersom. Ook dan (ingezonden stukken genoeg deze weken) lees je
dat zo iemand als kind, jongetje, veel meer naar poppen greep dan
naar jongensspeelgoed. Maar als dat onderscheid geconditioneerd is
dan klopt die redenering toch helemaal niet? Hoe weet je dan echt
hoe je je als meisje of jongen zou moeten voelen?
Een ander actueel nieuwtje is de vraag over vrouwelijke voorgangers
in behoudende kerken. Ik vermoedde dat het over de Vrijgemaakte
kerk ging, maar het was onze eigen PKN, een fusie van allerlei
partijen die op heel wat punten mijlenver uit elkaar staan. Enerzijds
was die fusie nodig omdat het toch al te gek is om met allerlei
verschillende kleine groepjes dezelfde God te willen aanbidden,
anderzijds omdat die groepjes hier en daar inderdaad erg klein waren
geworden en het financieel allemaal niet meer te regelen viel. Er
ontstond een heel brede club, van zeer vrijzinnig tot uiterst
behoudend. En de behoudende afdeling ziet, met een beroep op
Paulus, de rol van voorganger vooral als een jongensding. Toch willen
we elkaar allemaal binnen boord houden, ondanks alle verschillen,
zoals een kabinet van vier partijen dat wanhopig iets gezamenlijks
probeert uit te stralen.
Mij maakt het niet uit of we een vrouw of een man op de kansel
hebben, trouwens ook niet of de organist man of vrouw is. Als hij of zij
maar mooi speelt!
Het is een beetje een flauwe grap, maar ik ben wel benieuwd hoe we
Paulus moeten interpreteren als een transgender zich als predikant
aanbiedt. Anders gezegd: misschien is de Bijbel wel geen handleiding
voor ál onze 21e-eeuwse dilemma’s…

Hard
(15 februari 2020)

Het is een rekbaar begrip: ‘hard’. Als ik naar muziek luister hou ik van
een stevig geluidsvolume. Ik wil graag alles horen wat er gebeurt. Als
je een voluit spelend symfonieorkest op een dusdanig volume draait
dat het lijkt alsof alles ergens uit de verte klinkt doe je geen recht aan
de muziek. In crematoria en begrafenisaula’s maak je dat nog wel
eens mee.
Sterke muziek moet sterk klinken, zachte muziek zacht. In onze
digitale wereld zijn we dat nauwelijks meer gewend. Bij een
geluidsopname wordt er een soort limiter op gezet die zorgt dat de
sterkste pieken in het geluidsbeeld worden afgezwakt, en bij een
stukje fluisterzachte muziek draait men het volume stiekem wat
omhoog. Nivelleren heet dat volgens mij. In de politiek ben ik er voor,
in de muziek vind ik het vreselijk.
Overigens went een bepaald volume ook: als je een tijdje luistert op
een niveau dat je eerst als lekker stevig ervaart voelt dat na een
poosje als heel middelmatig. Net als naar een film kijken op een groot
scherm. Als de film begint vind je het fantastisch, maar na een poosje
merk je het niet meer, behalve misschien aan de stijve nek van het
ondertitels lezen.
Terug naar het volume. In een grote kerk met een groot orgel is het
soms heel prettig om dat orgel voluit te horen klinken. Het klinkt
stevig, en je hebt het gevoel dat er iets gebeurt. Maar in onze
bescheiden kerken op het Hogeland is het soms zo, dat een paar
registers van het rugwerk, waar je als kerkganger misschien maar een
paar meter vandaan zit, voor zoveel kabaal zorgen dat het al snel
gaat irriteren.
Sowieso is luisteren en horen een bijzondere bezigheid. Dat merk je
als je ergens een opname maakt. Opeens blijken er om de kerk
allemaal vogels rond te vliegen die je nog nooit gehoord hebt, en de
orgelmechaniek rammelt ook veel meer dan je vermoedde. Bij
luisteren filteren je hersens uit datgene wat je hoort de dingen die er
niet in thuishoren. Een microfoon kan dat niet. Wat zo’n ding hoort legt
hij vast.
Dat is ook altijd zo grappig als je een kerkdienst terugluistert. De
nietsvermoedende voorganger staat voor de microfoon gezellig mee
te zingen, en klinkt op Kerkdienstgemist.nl als een solozanger.
Misschien is hij of zij ook wel niet zo nietsvermoedend maar denkt dat
de gemeentezang wel een beetje hulp vanaf de kansel kan gebruiken.
Je hebt ook van die kerkgangers die dat denken trouwens. Ook dan is
‘hard’ een rekbaar, een subjectief begrip.
In de popmuziek gaat het met een heel ander soort hard. Loeihard. Ik
had het er hier vaker over. Ook daarin kan ik een eind meegaan. Als
een drummer op een trommel slaat wil ik graag horen dat hij op een
trommel slaat en als iemand tekeer gaat op zijn toetsen wil ik dat ook
graag als luisteraar als zodanig ervaren! Maar het gaat steeds harder.
En je kunt gehoorschade oplopen als je teveel naar muziek luistert.
Staatssecretaris Blokhuis sprak in 2018 met de evenementensector af
dat het geluidsniveau bij popconcerten maximaal 103 dB mag zijn. Hij
ging er daarbij van uit dat concertbezoekers oordoppen dragen die het
niveau met 15 dB dempen. Maar de helft van de concertbezoekers
draagt nooit oordoppen. Lijkt me logisch. Je gaat naar een concert om
iets te horen. Niet om iets níet te horen.
Maar misschien snap ik het wel niet.  

Verbazing
(29 februari 2020)

Vandaag wil ik het hebben over de wereld van de popmuziek. Als
liefhebber verbaas ik me over heel veel wat langs komt. Vaak snap ik
niet waarom mensen bepaalde dingen mooi vinden. Zoals Rappers
bijvoorbeeld. Altijd mannen. Ze brengen hun teksten, die ook nog
eens meestal net niet rijmen, maar dat schijnt een handelsmerk te
zijn, sprekend ten gehore, en leggen vaak de accenten een beetje
verkeerd. Op een bepaalde manier zou je het nog ‘knap gedaan’
kunnen noemen. Soms zingen ze ook, maar wat we dan te horen
krijgen gaat eerst door een harmonizer, die er voor zorgt dat het niet
vals klinkt, maar die er ook een soort metalige klank overheen legt,
zodat je direct hoort dat het niet echt is.
Waarmee ik niet wil zeggen dat vroeger alles beter was. Queen is
weken bezig geweest met het opnemen van Bohemian Rhapsody, en
The Beach Boys met hun Good Vibrations. Ik denk dan: je schrijft een
stuk muziek, voert het uit, geeft elk instrument zijn eigen microfoon,
een mengtafel om de balans hier en daar te corrigeren, zet de
bandrecorder aan, en klaar is kees. Maar al die virtuoze en mooie
meerstemmige lijntjes zijn pas na eindeloos experimenteren in de
studio tot stand gekomen. Logisch dat het live dan niet kan, omdat je
domweg niet meer weet wat je allemaal gedaan hebt.
Terug naar de rapmuziek. Afgezien van de technische en muzikale
kwaliteit verbaas ik me ook over de inhoud van de teksten die worden
gebezigd. Waar we ons bij elke prijsuitreiking van wat dan ook druk
maken dat er niet genoeg gekleurde deelnemers in de prijzen vallen,
en waar de winnares van het Leids Cabaretfestival zich haast moest
verdedigen dat ze pas de eerste vrouw was in vijftien jaar die het
Festival won, is die populaire muzieksoort niet bepaald
vrouwvriendelijk te noemen. De clips die je soms te zien krijgt
onderstrepen dat op niet mis te verstane wijze. Ik snap dan ook niet
dat het in deze tijd van #MeToo allemaal zomaar kan. Maar als je als
enthousiaste voetbaltrainer in de kleedkamer meezingt met zo’n
muzikaal gedrocht word je ontslagen omdat je je racistisch zou
hebben gedragen. De muziek mag kennelijk wel ten gehore worden
gebracht, maar als blanke luisteraar moet je het niet wagen mee te
zingen… (En dan heb ik het nog niet eens over de expliciet tot geweld
oproepende drill rap.)
Nog meer verbazing. Ik ben een man van de klok. Ik kom graag op
tijd. Ik was op een open dag van een gerestaureerd orgel. Het zou
worden gedemonstreerd op een bepaalde tijd. Toen het zover was
maakte de demonstrateur geen aanstalten naar boven te gaan. Nadat
hem een kwartier later werd gevraagd toch maar eens met zijn
demonstratie te beginnen vond hij dat hij eerst nog wel een kop koffie
kon nemen. Die begon hij, rustig keuvelend met deze en gene, op te
drinken. Hij had nog niet de neiging naar het orgel te snellen. Ik ben
naar huis gegaan.
Je hebt mensen die dat niet doen. Die wachten bij een concert van
Madonna soms uren tot het hare majesteit behaagt aan haar optreden
te beginnen. Ongetwijfeld ook nog eens voor een groot deel
playbackend.
Dat er overigens in Leiden niet zoveel vrouwen in de prijzen vallen
komt omdat er niet zoveel vrouwen meedoen. Hetzelfde geldt,
omgekeerd, voor doktersassistenten en kleuterleiders.

Verrassing
(14 maart 2020)

Elke week bereid je je als organist voor op de dienst. Ik kan me niet
meer voorstellen dat ik, zoals vroeger soms, de trap naar het orgel
bestijg terwijl ik pas vlak daarvoor van de koster het orgelbriefje heb
gekregen. Ooit stonden daar alleen psalmen op, later een paar
gezangen, nog later iets meer, en vanaf 1973 hadden we 40 jaar het
liedboek. Het kwam niet vaak voor dat je een onbekend lied moest
begeleiden. Tegenwoordig is dat anders. Van de 1300 versjes in het
nieuwe boek zijn er heel wat waar een onverwachte wending, een
vreemde sprong of een apart ritme in voorkomt. Het is mooi als je als
luisteraar wordt verrast, maar als uitvoerder, organist, is het prettiger
als je weet wat er komt.
Die verrassing is ook maar relatief. We hadden op de cantorij een lied
met een raar ritme. We hadden het al vaker gezongen en het ging
direct goed. Eén tenor vroeg zich af of we het wel in de maat zongen.
Hij miste de verrassende hobbel die hij steeds had ervaren. Ik begon
ook te twijfelen, en we zongen het lied nog een keer. Alles klopte toch
echt. Het bleek dat het verrassende ritme niet meer verrassend was.
Het nieuwtje was er af.
Als ik me voorbereid doe ik dat vooral wat betreft de manier van
begeleiden. Ik  vind dat je zo moet spelen, dat de mensen in hun
zingen als vanzelf door het orgel worden meegenomen. Een mooie
baslijn en stimulerende harmonieën kunnen daar goed bij helpen.
Voorspelen bereid ik ook soms voor, soms niet. Je kan eindeloos
oefenen op een mooi voorspel met boeiende lijntjes en een
interessante omspeling van de melodie, maar als je dat dan op
zondagmorgen in de kerk weer wilt doen valt dat vaak tegen. Veel
mooier gaat het vaak als je jezelf, en daarmee de kerkgangers, laat
verrassen. Waarmee niet is gezegd dat het dan altijd goed is. Je moet
wel een soort van richting hebben bedacht.
Wat ook een verrassing was, was de clip van het Nederlandse lied
voor het Eurovisiesongfestival. Eerst al het begin met een enkele toon
van een harmonium. Ook verrassend dat de akkoordenopeenvolging,
die op een gegeven moment erg leek op ‘My Way’, werd onderbroken
door een onverwachte vreemde wending, en de laatste verrassing
was dat het lied eindigde met een soort van stilte. Die stilte was
daarom zo verrassend omdat je er nog een akkoord achteraan
verwachtte. Het slotakkoord, op de grondtoon. Het was niet echt uit,
zo leek het. Maar de liefhebbers spraken over een heerlijk spannend
moment, die stilte.
Toen Jeangu Macrooy het lied een dag later live op de televisie liet
horen (niet met een harmonium maar met een digitaal orgelgeluidje)
barstte het applaus direct los in dat opeens niet meer zo spannende
stiltemoment. De verrassing was er helemaal af. Het was nou gewoon
een beetje een raar einde geworden.
Over raar gesproken: zelfbenoemd songfestivaldeskundige Tijl
Beckand ontdekte in de Israëlische inzending plagiaat. Parmantig
verkondigde hij dat in een bepaald fragment dezelfde muziek zat die
ook in Jesus Christ Superstar klinkt tijdens de veertig min één
zweepslagen.
Wat een onzin! Ja, er klonk D-mineur, en ja, het was ongeveer
hetzelfde tempo, 120 tellen per minuut. Maar je kunt toch moeilijk
iemand die een standaard akkoord gebruikt in een tamelijk standaard
tempo van plagiaat beschuldigen omdat iemand anders dat ook wel
eens deed? Ik speel dat akkoord elke zondag minimaal een keer of
tien!

> COLUMNIST
> STARTPAGINA


De nieuwste column :

> COLUMNIST
> STARTPAGINA

Stil
(28 maart 2020)

Dinsdag hadden we nog gerepeteerd. Nog wat liederen doorgenomen
voor de  zondag daarop. En een onbekend versje dat we op de
Biddag zouden zingen, de dag er na. Het ging mooi op die Biddag.
Het scheelt als de helft van de kerkgangers zo’n onbekend lied al
kent.
Op vrijdag hoorden we dat bijeenkomsten van meer dan 100 mensen
werden verboden. Gelukkig zijn we een kleine kerkgemeente. Als het
mooi gaat zitten er soms wel 70 mensen in de kerk. Meestal zo tegen
de 50. Geen vuiltje aan de lucht, zou je zeggen. Maar op zaterdag valt
toch het besluit om de diensten de komende weken te laten vervallen.
Ook de cantorijrepetities gaan voorlopig niet door. We mailen elkaar
en ik wijs de koorleden op een verborgen hoekje van mijn website.
Daar staat een opname uit 2016 van de teksten uit Marcus die we in
de Stille Week gaan zingen. Als iedereen er thuis op oefent kunnen
we die muziek alsnog uitvoeren.
Maar een week later komt het bericht dat ook de Stille Week helemaal
stil blijft.
Ik vind het de mooiste tijd van het jaar. De weken naar Pasen toe. Er
is zulke prachtige muziek. Elk jaar speel ik wel een keer het prachtige
‘O Mensch bewein dein Sünde gross’ van Johann Sebastian Bach,
meestal direct de eerste zondag na Aswoensdag. Dit jaar niet. Niet
direct al je kruit verschieten! Ik had allemaal bewerkingen van ‘O
Hoofd vol bloed en wonden’, en ik speelde ze rustig uit, ook toen de
kerkenraad al binnen was. Ik had ze niet gehoord, want er was deze
keer niemand bij met klikkende hakken onder de schoenen. De
tweede zondag draaide de dienst om Psalm 25. Toen speelde ik de
muziek die Willem Hendrik Zwart daar bij gemaakt had. Dat klonk best
op het Van Dam orgel. Voor de zondag daarna had ik dan Bach met
‘O Mensch’ gepland. Een heerlijk vooruitzicht. Ik had het beter direct
de eerste zondag kunnen doen. Nu kwam het er niet meer van. Het
wordt op zijn vroegst volgend jaar 21 februari, de eerste
Lijdenszondag van 2021.
Op Palmzondag zouden we ook met de cantorij zingen.
Samenzangen vierstemmig meedoen, psalm 118 in canon met de
gemeente, en ik verheugde me op het Hosanna uit Jesus Christ
Superstar, elk jaar bij het uitgaan van de kerk. Afgelast. Met Pasen
was ‘Christ lag in Todesbanden’ de bedoeling. Van Bach, en van
Krebs. En ja, dat gaat niet over het lijden, maar over de opstanding,
Christ lag, in de verleden tijd, in Todesbanden! En we zouden zingen
uit Marcus, de vrouwen die het lege graf vinden en horen dat Jezus is
opgestaan. “Ze vertelden er niets van, aan niemand, ze waren
bang…”
Bang zijn we ook. Wat staat ons allemaal nog te wachten? Niemand
weet het. Ook de deskundigen niet. Het enige wat ze kunnen doen is
vooruitlopen op de te verwachten scenario’s. Waarbij het de vraag is
welk scenario bewaarheid zal worden.
De halve krant gaat over Corona, elk praatprogramma heeft eigenlijk
nog maar één gespreksonderwerp. Ik wilde het hier, in mijn 800ste
column, hebben over de mooie muziek in de Lijdenstijd, maar ontkom
er ook niet aan. Het gaat alleen maar over afgelaste muziek. Geen
scenische Matthäus in Loppersum, geen mooie orgelkoralen, kortom,
het is erg stil…

Kees Steketee

> COLUMNIST
> STARTPAGINA