recente columns      

> COLUMNIST
> STARTPAGINA

Op deze pagina treft u steeds de meest recente column(s) aan.

Voor de columns van de afgelopen twee jaar:
In januari 2019 verscheen een nieuwe verzamelbundel:
Zo lust ik er nog wel een

Stil
(28 maart 2020)

Dinsdag hadden we nog gerepeteerd. Nog wat liederen doorgenomen
voor de  zondag daarop. En een onbekend versje dat we op de
Biddag zouden zingen, de dag er na. Het ging mooi op die Biddag.
Het scheelt als de helft van de kerkgangers zo’n onbekend lied al
kent.
Op vrijdag hoorden we dat bijeenkomsten van meer dan 100 mensen
werden verboden. Gelukkig zijn we een kleine kerkgemeente. Als het
mooi gaat zitten er soms wel 70 mensen in de kerk. Meestal zo tegen
de 50. Geen vuiltje aan de lucht, zou je zeggen. Maar op zaterdag valt
toch het besluit om de diensten de komende weken te laten vervallen.
Ook de cantorijrepetities gaan voorlopig niet door. We mailen elkaar
en ik wijs de koorleden op een verborgen hoekje van mijn website.
Daar staat een opname uit 2016 van de teksten uit Marcus die we in
de Stille Week gaan zingen. Als iedereen er thuis op oefent kunnen
we die muziek alsnog uitvoeren.
Maar een week later komt het bericht dat ook de Stille Week helemaal
stil blijft.
Ik vind het de mooiste tijd van het jaar. De weken naar Pasen toe. Er
is zulke prachtige muziek. Elk jaar speel ik wel een keer het prachtige
‘O Mensch bewein dein Sünde gross’ van Johann Sebastian Bach,
meestal direct de eerste zondag na Aswoensdag. Dit jaar niet. Niet
direct al je kruit verschieten! Ik had allemaal bewerkingen van ‘O
Hoofd vol bloed en wonden’, en ik speelde ze rustig uit, ook toen de
kerkenraad al binnen was. Ik had ze niet gehoord, want er was deze
keer niemand bij met klikkende hakken onder de schoenen. De
tweede zondag draaide de dienst om Psalm 25. Toen speelde ik de
muziek die Willem Hendrik Zwart daar bij gemaakt had. Dat klonk best
op het Van Dam orgel. Voor de zondag daarna had ik dan Bach met
‘O Mensch’ gepland. Een heerlijk vooruitzicht. Ik had het beter direct
de eerste zondag kunnen doen. Nu kwam het er niet meer van. Het
wordt op zijn vroegst volgend jaar 21 februari, de eerste
Lijdenszondag van 2021.
Op Palmzondag zouden we ook met de cantorij zingen.
Samenzangen vierstemmig meedoen, psalm 118 in canon met de
gemeente, en ik verheugde me op het Hosanna uit Jesus Christ
Superstar, elk jaar bij het uitgaan van de kerk. Afgelast. Met Pasen
was ‘Christ lag in Todesbanden’ de bedoeling. Van Bach, en van
Krebs. En ja, dat gaat niet over het lijden, maar over de opstanding,
Christ lag, in de verleden tijd, in Todesbanden! En we zouden zingen
uit Marcus, de vrouwen die het lege graf vinden en horen dat Jezus is
opgestaan. “Ze vertelden er niets van, aan niemand, ze waren
bang…”
Bang zijn we ook. Wat staat ons allemaal nog te wachten? Niemand
weet het. Ook de deskundigen niet. Het enige wat ze kunnen doen is
vooruitlopen op de te verwachten scenario’s. Waarbij het de vraag is
welk scenario bewaarheid zal worden.
De halve krant gaat over Corona, elk praatprogramma heeft eigenlijk
nog maar één gespreksonderwerp. Ik wilde het hier, in mijn 800ste
column, hebben over de mooie muziek in de Lijdenstijd, maar ontkom
er ook niet aan. Het gaat alleen maar over afgelaste muziek. Geen
scenische Matthäus in Loppersum, geen mooie orgelkoralen, kortom,
het is erg stil…

Vraag en antwoord
(11 april 2020)

We hadden een aardige dominee. Hij stond al jaren in onze gemeente
en reed in een okerkleurige Opel, hetgeen een vriendje van mij, die ‘s
zondags naar de kerk van de Gereformeerde Gemeente ging, maar
vreemd vond. Hun dominee reed, zoals het hoort, in een zwarte auto!
Niet dat onze dominee zo frivool was. Hij liet na het lezen van de wet
vaak uit Psalm 38 zingen: ‘k Ben door uwe wet te schenden krom van
lenden. Mijn vader weigerde als kerkganger pertinent mee te zingen,
en als organist vertikte hij het die psalm te begeleiden.
Soms kwam op de catechisatie een ouderling langs om te kijken hoe
het ging. De dominee stelde ons vragen die we moesten
beantwoorden. “Zou het niet zo kunnen zijn dat….” en als je braaf ‘ja’
zei was het goed. De ouderling was onder de indruk.
Ik moest aan onze oude dominee denken toen ik me door de eerste
uitzending van M heen worstelde. Ik was Matthijs van Nieuwkerk weer
gaan waarderen de laatste tijd, hoewel zijn laatste aflevering erg
tegenviel. Een veel te druk pratend tafelheertje, een giechelige Ilse de
Lange en een erg mager lied van Henny Vrienten. De dag ervoor was
er een indrukwekkende en ontroerende André van Duin geweest.
Nu was het voorbij en tetterde Margriet van der Linden het uur vol met
breedsprakerige vragen waarin het antwoord al werd gegeven. De
ondervraagde deskundige hoefde alleen maar ja te zeggen. In andere
praatprogramma’s, vooral die met twee presentatoren, stellen ze wel
open vragen, maar interrumperen daarna zo vaak dat het antwoord
veelal halverwege blijft hangen.
Ik vind het vrij irritant. Het stellen van een vraag veronderstelt
luisteren naar het antwoord, nieuwsgierigheid, de wil om iets te horen,
te leren misschien wel. Maar het lijkt er de vraagsteller vooral om te
gaan te zorgen dat de collega presentator, én wij kijkers, niet zouden
denken dat hij of zij lang niet zo slim is als de ander.
En nou ik het toch over luisteren heb… Er was een lied. Bekende
Nederlanders vervelen zich in hun luxueuze huizen en hebben met
zijn honderden een lied gemaakt. Iets met een hart onder de riem of
zoiets. Verschillende  medewerkenden vertelden trots dat ze helemaal
niet konden zingen. In plaats dat de volgende vraag dan is waarom je
het dan in je hoofd haalt om aan zo’n lied mee te doen lijkt het of het
respect alleen maar groter wordt. O wat knap!
Het is in mijn beleving ook nog eens een draak van een lied.
Ook in de Tweede Kamer werden vragen gesteld en antwoorden
gegeven. Urenlang ging het door. Er zijn mensen die uit hun partij
gestapt zijn maar hun zetel hebben behouden.
Volksvertegenwoordigers, vinden ze zelf. Maar ze zijn
binnengekomen in het kielzog van hun lijsttrekker. Niemand, behalve
zijzelf en de buurman, heeft op ze gestemd. Ze vertegenwoordigen
ook niemand. Alleen zichzelf. Wel krijgen ze net zoveel spreektijd als
de echte Kamerleden. Daardoor verbeelden ze zich dat hun inbreng
er nog toe doet ook.
Luisterend naar alle antwoorden zou onze oude dominee vragen: “Is
het eigenlijk niet zo dat maar één partij ons land regeert, en zou dat
niet het RIVM zijn, en is dat misschien maar goed ook…?”
Er was trouwens ook een vraag aan de banken, om de belachelijk
hoge rente (13 procent) op rood staan te verlagen. Het antwoord was
een genereuze verlaging naar 10 procent… De spaarrente blijft stevig
op 0.

Lockdown en meer
(25 april 2020)

Er zijn woorden die ik mijn hele leven nog niet gehoord had en die
zomaar opeens gemeengoed zijn geworden. In de eerste plaats
natuurlijk het woord Corona zelf, ooit een vage associatie met een
exotisch biermerk. Dankzij die corona leerden we ook de term
lockdown. Ik kende hem niet. In Nederland schijnt het zelfs te gaan
om een intelligente lockdown. Die kwalificatie is bedacht door onze
regering.
In België gaat het over de motivatie om als Vlaming thuis te blijven.
Onze zuiderburen krijgen er langzamerhand genoeg van. Ze hebben
het daar nu over ‘moetivatie’.
Wat ik ook erg vind is de Koningsdag. Die heet nou opeens
woningsdag, omdat we de verjaardag vanuit huis moeten gaan vieren.
Je kan dat een flauwe woordspeling  vinden, maar het schijnt dat het
het alternatief was voor ‘Coroningsdag’. Laten we dan maar blij zijn.
Tegenwoordig hebben we influencers… Ik zie ze nooit, maar een
andere generatie dan de mijne abonneert zich kennelijk om
narcistische leeftijdgenoten te zien die via Youtube, Facebook en
Instagram vooral weinig te melden hebben. En daarmee hebben ze
invloed op die generatie en verdienen, ook dankzij op hun kijkertjes
gerichte reclame, bakken met geld. En omdat het daar om draait,
geld, vinden ze zelf dat ze er toe doen.
En dan het fenomeen recessie. Ik ben mijn hele leven al bereid om
inkomen in te leveren. Desnoods 10 procent. Maar dan wel met zijn
allen! Niet alleen ik, maar ook de sigarenboer, de garage, de
supermarkt, de bank, eigenlijk alles en iedereen waarmee we zaken
doen.
Ik ben geen econoom. Maar het lijkt me op de een of andere manier
logisch, dat, nu we allen getroffen worden door hetzelfde virus, die
recessie geen probleem hoeft te zijn. Iedereen er op achteruit. U, ik,
Albert Heijn, de ING, Shell, de KLM, John de Mol, de bakker, de
slager, de columnist van de kerkbode, de uitgever van de kerkbode…
Maar die redenering zal in de praktijk wel weer niet kloppen.
Er gaan cijfers rond van een teruggang in de economie van een
procent of 7. Ik heb geen idee wat dat inhoudt. Op welk niveau komen
we dan terecht? Wordt dat het welvaartsniveau van 1960? 1980? Ik
vermoed dat het iets zal zijn van 2012, 2014. Hadden we het toen zo
slecht?
Nog zo’n woord: de anderhalvemetersamenleving. Ik vraag me af hoe
het in dat verband moet met kerkdiensten en vooral met mijn koor.
Met zijn allen op anderhalve meter staan zou misschien net lukken.
Maar er kunnen dan geen luisteraars meer bij. En er is meer. Ik hou
van een heldere koorklank. Met duidelijk uitgesproken medeklinkers.
Ik wil graag horen, liefst ook nog verstaan, wat er gezongen wordt.
Een oude zangjuf complimenteerde me uitbundig als ik flink spetterde
tijdens het zingen. “Dan zit je mooi voorin met je zanglijn!” riep ze
juichend. Ik weet niet of dat in deze tijd nog op prijs gesteld zou
worden. En zingen met mondkapjes tegen het gespetter geeft in ieder
geval niet het resultaat waar ik week in week uit juist zo naar streef.
En kerkdiensten zonder gezang... Ik moet er niet aan denken.
“Een luxe probleem,” hoor ik u denken. U hebt gelijk. Ik klaag ook niet.
Als ik denk aan mensen, die, soms met het hele gezin, op een flat
zitten zonder balkon, dan voelt onze lockdown op het Groninger
platteland dan misschien niet direct als intelligent maar wel als luxe…

Getallen en verhoudingen
(9 mei 2020)

We zijn veel thuis. Dankzij een gul nageslacht zat ik na mijn
verjaardag in maart met een stapel boeken. Biografieën veelal. Van
Elton John, van Wim Kok, de vrouw van Joost Zwagerman en ook een
heerlijke verzamelbundel van Herman Finkers. Er was heel wat te
lezen. Daarnaast heb ik ook een fiks aantal oudere biografieën nog
eens herlezen. Zoals van Lubbers, Van Agt, Neelie Kroes, Willem
Aantjes, Schakel, Eduard Bomhoff, Femke Halsema, Ella Vogelaar,
Ed van Thijn en nog veel meer. Interessante boeken die met een
zekere afstand terugkijken in de geschiedenis en proberen te duiden
hoe en waarom de dingen zijn gelopen zoals ze zijn gelopen. Daar
kan een mens van leren!
Dat lezen zorgt er voor dat ik wel eens een journaal of een update van
corona oversla. Wat ik wel trouw volg zijn de debatten in de Tweede
Kamer. Bij het ‘controleren van de regering’ zie ik in de praktijk vaak
de beste stuurlui die met soms behoorlijk grote monden aan de wal
staan.
Als ik een journaal zie worden daarin vaak allerlei onderzoeken
gepresenteerd. Zoals over het vertrouwen in de economie, dat nog
nooit zo laag was. Dat wordt dan met veel aplomb genoemd terwijl het
geen sterveling op aarde zal verbazen dat het een laag cijfer is.
Dingen staan in verhouding met elkaar. Dat leerden we op de lagere
school al met breuken en verhoudingssommen. Een getal krijgt pas
betekenis in relatie met een ander getal. Toen Kain zijn broer
vermoordde viel er één dode te betreuren. Maar hij roeide ook wel in
één klap de helft van de mannelijke jeugd uit. Als er in ons huis één
persoon ziek is, is dat de helft van de populatie. Maar als ik lees over
een land met zoveel zieken en/of overledenen zegt me dat niks als er
niet bij wordt verteld hoeveel inwoners dat land heeft.
Vanmorgen hoorde ik alarmerend nieuws. Shell leed afgelopen
kwartaal een verlies van 24 miljoen euro. Dat lijkt een boel geld,
hoewel we in deze tijd net zo makkelijk praten over miljarden als over
miljoenen. Er werd bij verteld dat de winst van Shell vorig jaar over
dezelfde periode 6 miljard bedroeg. Ze hebben dus wel een soort van
buffer, denk je dan. Inderdaad. Als je even gaat rekenen blijken ze
met die winst van 6 miljard 250 keer 24 miljoen te kunnen opvangen.
Dat getal 250 zegt ook niks op zichzelf, maar 250 kwartalen is meer
dan 60 jaar. Ze kunnen even vooruit dus!
Ook in het nieuws: In Brabant moet voor een halve periode nog een
nieuw provinciaal bestuurscollege worden gevormd. CDA en Forum
voor Democratie zijn in gesprek. Er is een enquête gehouden onder
de CDA leden wat ze ervan vinden. Een krappe meerderheid is vóór
de samenwerking. Later hoor je dat slechts 18 procent van de leden
meegedaan heeft aan de raadpleging. Als je 18 procent van 5000
neemt, want zoveel leden zijn er, heb je 900 personen. Daarvan heeft
ruim de helft, een kleine 500 Brabantse CDA’ers dus, voor gestemd.
Inderdaad. Niet veel. Het is te hopen dat de club daar in het zuiden
meer stemmers dan leden heeft.
Ik weet nog hoe we in oktober 2010 aan de televisie gekluisterd zaten
bij het CDA-congres over regeren met de PVV. Je zou verwachten dat
de CDA’ers in Brabant er wat van geleerd zouden hebben. Misschien
moeten ze daar wat biografieën lezen!

Normale samenzang
(23 mei 2020)

Het was een keer na een begrafenis. Een volle kerk. In de tijd dat dat
nog gewoon kon. Het moest feestelijk, was me gevraagd. Ik vind dat
altijd lastig, en als het met mij zover is hoop ik niet dat men daarin
aanleiding ziet voor een feestelijke dienst, maar het waren mooie
liederen waarin Gods lof werd geprezen en die er om vroegen stevig
begeleid te worden. Ik werd na afloop door de familie vriendelijk
bedankt voor mijn orgelspel. Er was ook iemand die vond dat ik erg
hard had gespeeld, en de zang had overstemd. “Stel voor dat iemand
langs de kerk liep, die moet gedacht hebben dat de zang en de
begeleiding helemaal uit balans waren,” vond hij. Nou heb ik als
organist weinig te maken met mensen die lángs de kerk lopen, maar
het is ook een kwestie van definiëren. Wat versta je onder
gemeentezang? Volgens mij is het niet een zangpartij met
(orgel)begeleiding en een publiek. Het is een gezamenlijk gebeuren,
zónder publiek. In de Rooms Katholieke kerk noemen ze het
volkszang. De kerkgangers zingen daar pas sinds de zestiger jaren
mee, nou ja, dat is de bedoeling, maar erg uitbundig gaat het daar
nog steeds niet. Het koor moet het voornamelijk doen.
Wij protestanten zijn van oudsher niet zo van de koren. In eerste
instantie ook niet van de muziek. Calvijn wilde niet eens dat het orgel
meespeelde met de gemeentezang. Dat was een leuk apparaat voor
doordeweeks, en misschien voorafgaand en na de dienst.
Toen we het liedboek kregen, in 1973, ontstonden her en der
cantorijen. Ze waren vooral bedoeld om de gemeente vertrouwd te
maken met de nieuwe gezangen. Naarmate de tijd vorderde en de
cantorijen beter werden gingen ze ook in afwisseling met de
gemeente zingen. Het aanleren van nieuwe liederen was niet meer
echt nodig. Soms ook wilden ze nog veel meer, voelden minder
binding met de kerkgemeente, en werden het zelfstandige
kamerkoren.
Ik ken een gemeente waar mensen wegbleven als de cantorij
meezong, want dan duurde de dienst zo lang. Terwijl we alleen
samenzangen meezongen, soms in wisselzang, en de tekst van de
schriftlezing.
In deze tijd zoeken kerken mogelijkheden om toch diensten te
organiseren. Je ziet op kerkomroep en kerkdienstgemist.nl allerlei
manieren. Een voorganger in het verenigingsgebouw met alleen een
organist achter een keyboard (waarom niet in de kerk, op het orgel?),
soms ook met een stuk of wat gemeenteleden die op anderhalve
meter van elkaar staan te zingen en zo goedbedoeld demonstreren
dat dat iets anders is dan als gemeente samen zingen.
Je kunt het ook met een paar zangers uit de cantorij of het kerkkoor
doen, als je die hebt, maar door dat te doen selecteer je, en maak je
zonder veel moeite je koor of cantorij kapot. “Waarom zij wel, waarom
ik niet?”
Ik snap dat de echte samenzang niet zomaar weer terug kan. Dan
wordt er zoveel lucht verplaatst van de een naar de ander dat een
eventueel virus zich daar juichend op laat meevoeren. Maar ik las ook
dat uit onderzoek blijkt dat zelfs bij een professioneel zanger met een
stevig volume de luchtstroom na een meter wel zo’n beetje is
opgehouden. Dus misschien valt het mee…
Hoe het ook zij, we kunnen nog lang niet terug naar een normale,
voluit zingende kerk. En ik vind dat we het nieuwe normaal, een kerk
zonder samenzang, vooral níet gewoon moeten gaan vinden… 

Klare taal
(6 juni 2020)

Duidelijke taal, daar hou ik van. Dat je begrijpt wat de spreker of
schrijver bedoelt. Zonneklaar. Dat je niet op het verkeerde been wordt
gezet, zoals wanneer iemand roept “Geen paniek!”. Dat kan hij best
echt zo bedoelen, maar het resultaat van zo’n oproep is meestal
tegengesteld aan die bedoeling.
Je hebt ook van die uitdrukkingen die je een paar keer moet lezen
voor je de betekenis door hebt. Als iemand zegt “niets is minder waar”
lijkt hij te bedoelen dat je de spijker op de kop slaat. Ik las laatst over
“een feit waarvan de betekenis onmogelijk onderschat kan worden.” Ik
ben er nog niet uit wat de schrijver bedoelt. Volgens mij vond hij het
een belangrijk feit, maar ik ben er niet helemaal zeker van.
Om teksten begrijpelijk te maken staan er soms plaatjes bij. Ik ben
niet zo van de plaatjes. Ik zie ze vaak niet eens. In onze kerk, toen we
nog diensten hadden, was er elke week een liturgie met voorop een
zorgvuldig uitgezochte foto, passend bij de inhoud van de dienst. Ik
zag dat vaak pas als ik er op gewezen werd…
In de krant staan vaak veelkleurige kaartjes en grafiekjes. Zoals over
corona-besmettingen en -verspreiding. Ik ben enigszins kleurenblind
en zie niet het verschil tussen de lichtpaarse, zachtroze, of lichtblauwe
lijnen in een diagram. Ik zie trouwens wel heel goed dat
Achtkarspelen en Loppersum de enige twee gemeenten zijn waar
geen corona is vastgesteld. Ze zijn spierwit op de landkaart!
Als je op de televisie naar het nieuws kijkt, of een praatprogramma,
moeten daar ook altijd beelden bij. Vaak hebben die helemaal niets
met het onderwerp te maken. Als het over corona gaat zie je mensen
met mondkapjes, en die leuke dokter met paardenstaart loopt al
maanden door het beeld als het over de zorg gaat.
Over klare taal gesproken. Ik zag weer Kamerdebatten. Er werd ook
over andere zaken dan corona gedebatteerd. De minister van
defensie moest zich (weer) verantwoorden voor burgerdoden bij het
bombarderen van een munitiefabriek in Syrië. Dat was in de tijd van
haar voorgangster. Het voelt wat knullig om de schuld op haar af te
schuiven, hoewel, afschuiven, het was wel háár ambtsperiode. En dus
draaide mevrouw Bijleveld heel lang om de hete brij heen. Het is niet
zo netjes om commentaar op je voorganger te hebben.
(Ik heb wel eens meegemaakt dat een leerling van me, wegens
roosterproblemen, incompatibilité d’humeur, of anderszins naar een
andere orgelleraar overstapte die vervolgens aan die leerling wist te
melden dat hij al die tijd maar beroerd had les gehad. Collegiaal is
anders.)
Op den duur kon de minister er niet meer onderuit iets over haar
voorgangster te zeggen. Dat werd haar niet in dank afgenomen, zeker
niet door de VVD, de partij van die voorgangster. Dat hoorde niet zo.
Nee, dat vond ze zelf ook, en daarom had ze er zolang omheen
gedraaid. En toen werd dát haar verweten. Zo is het dus nooit goed.
Vooral mevrouw Marijnissen was, als altijd, bijzonder fel. Zij ontving
onlangs de Klare Taalprijs. Ze schijnt de politica te zijn die het beste
te begrijpen is, met name voor jongeren. Zij is ook de enige die, als ze
in de Tweede Kamer het woord krijgt, voordat ze aan haar speech
begint ‘dankjewel’ tegen de voorzitter zegt. Ieder ander zegt
‘dankuwel’. Zal wel geen klare taal zijn. (Tja, de spellingcontrole
rekent dankuwel zelfs fout...)

Trinitatis
(20 juni 2020)

Ik weet nog dat meester het ons uitlegde. Dat God uit drie gedaantes
bestond. Zoals altijd na afloop van zijn uitleg vroeg hij of we het
snapten. Maar in plaats van blij te zijn met onze standaard afgerichte
reactie “Ja, meester!”, werd hij boos. “Dat kun je niet begrijpen!” riep
hij uit. Wij snapten dan weer niet waarom hij ons iets probeerde uit te
leggen dat kennelijk niet uit te leggen was, maar op die manier was de
Drie-eenheid wel voor eens en altijd in mijn systeem geïmplanteerd.
Het was zondag Trinitatis. De zondag van de drie-eenheid. Vader,
Zoon en Heilige Geest. Ik kreeg een liturgie onder ogen van een
gestreamde kerkdienst ergens in de regio. Er werd door een vijftal
mensen gezongen uit gezang 848, het vijfde couplet: “Eer aan de
Vader, Zoon en Geest, aan de drie-ene macht.” Voor de gelegenheid
was de tekst gewijzigd: “Eer aan d’ Eeuwige, Zoon en Geest / aan de
drie-ene kracht.”
Er zijn mensen die moeite hebben met een God als vader. Die maken
dan van God de Vader maar God de Eeuwige. Ik vind het best. Maar
Hij/Zij staat in zo’n lied dan wel in een lastige relatie met de Zoon.
Want die bleef ongewijzigd. Misschien iets aan doen in een volgende
versie.
Maar daar bleef het niet bij. Het woord ‘macht’ was gewijzigd in
‘kracht’. Ook in onze kerk zijn mensen die bezwaar hebben tegen het
woord ‘macht’. Die bidden in het Onze Vader (dat dan weer wel…)
luid en duidelijk gearticuleerd ‘kracht’!
Natuurlijk. Het woord macht vind ik ook een gevaarlijk woord. Mensen
met macht, het gaat maar al te vaak verkeerd. Alleen hebben we het
hier niet over mensen, maar over de Allerhoogste, mannelijk of
vrouwelijk, Eeuwige, Ene, Ongeziene. Als die ook al geen macht meer
heeft kunnen we er beter maar helemaal mee ophouden lijkt me.
Ik speelde eens in een andere kerk dan waar ik normaal gesproken
ben. We zongen ‘De eersten zijn de laatsten’. Al spelend schoot ik in
de lach toen ik de tekst langs zag komen: Die luidt: “God moge ons
behoeden / wij zien elkander aan / de broeder kent de broeder / als
een die voor moet gaan.” Maar op het liturgieboekje was achter de
beide broeders tussen haakjes het woord ‘zuster’ geplaatst: “de zuster
kent de zuster”. Tijdens de dienst hoorde ik overigens niemand (man
noch vrouw!) dat ‘zuster’ zingen. Het zou ook raar zijn, een zuster rijmt
namelijk niet op behoeden. (Broeder rijmt er ook niet heel mooi op,
maar dat is weer een ander verhaal.)
Ik had het liedboek niet bij me. Ik speelde van een akkoordenschema,
en had de liturgie voor mijn neus staan. Thuis toch eens even in het
nieuwe liedboek kijken. Hebben ze dat nou ter plaatse bedacht, of is
het de politiek van dat nieuwe boek? Dat bleek dus niet zo te zijn. De
liturgietyper had, ik neem aan op instigatie van de voorganger, die
een voorgangster was, de suggestie gedaan.
Dat gebeurde ook wel eens bij het oude Gezang 474, God roept ons
broeders tot de daad: van de broeders moest je dan als zingend
gemeentelid ‘mensen’ maken, waarbij ik het zal nalaten flauwe
grappen over die daad te maken. Gezang 474 is misschien daarom
ook wel niet meegegaan naar het nieuwe boek.
We draven altijd zo door in onze correctheid.

Lijsttrekker
(4 juli 2020)

Het is alweer een tijdje geleden. Job Cohen stond in de startblokken
om de PvdA lijst te gaan trekken. Op een vraag van Twan Huys wat
een halfje gesneden wit kost en hoeveel hypotheekrente we met zijn
allen aftrekken moest hij tot zijn schande het antwoord schuldig
blijven.
Toen vier jaar later Martijn van Dam de PvdA wilde gaan aanvoeren
had hij de prijs van het brood en de hoogte van de hypotheekschuld
even opgezocht en antwoordde grijnzend op de vragen daarover die
Matthijs van Nieuwkerk hem stelde. Een goeie grap. Vervolgens
maakte Matthijs zich kwaad dat zo’n politicus zich verlaagt tot het zich
voorbereiden op dergelijke vragen…
Ik zag het fragment, toevallig, terug bij een interview met Van
Nieuwkerk, die het achteraf niet zijn sterkste optreden vond. Ik had
ingeschakeld om alweer een nieuwe kandidaat lijsttrekker te zien. Niet
voor D66. Dat heeft Sigrid Kaag, en die torent zo hoog boven alles en
iedereen in D66 uit, door haar stijl, haar ervaring, haar eloquentie én
haar geslacht dat ze geen concurrentie krijgt. Ook bij de SP, de SGP
en de ChristenUnie is het al duidelijk.
Bij het CDA moet er nog gekozen worden. Het zou gaan tussen de
ministers Hoekstra en De Jonge. Maar Hoekstra doet niet mee. Hij
vindt zichzelf meer een bestuurder dan een politicus. Dat kan. Het
kwam hem op het verwijt te staan dat hij minachting heeft voor de
Tweede Kamer. Dat snap ik dan weer niet. Ik ken heel veel mensen
die voor heel veel dingen geschikt zijn, maar nou net niet voor het
Kamerlidmaatschap.
Hugo de Jonge is wel en van harte beschikbaar. Hij kreeg al snel
concurrentie van Mona Keijzer, Volendamse, en iemand die geen
probleem zou hebben met samenwerking met Forum voor Democratie
van Baudet. Beiden deelden desgevraagd mee ook beschikbaar te
zijn voor het premierschap voor het geval het CDA de grootste partij
zou worden.
Vervolgens diende kamerlid Helvert zich nog aan. De man komt uit
Limburg en het kost me altijd veel moeite om hem te verstaan. Maar
misschien mag ik dat wel niet zeggen in deze tijd waarin we vooral
niemand moeten dreigen te kwetsen. En misschien verstaat hij wel
weer geen knauwende Groninger, en misschien mag ik dat ook wel
niet zeggen, dat ‘knauwende’…
Op de valreep stelde ook Pieter Omtzigt zich nog beschikbaar. Ooit
onverkiesbaar, maar met voorkeurstemmen toen toch gekozen en
thans prominent CDA-kamerlid dat zich profileert bij alle
onverkwikkelijke zaken die de belastingdienst de laatste tijd zo in het
nieuws brengen.
Hij zat dus in die talkshow en ook hem werd gevraagd of hij
beschikbaar was als premier. Hij schutterde wat en vond de vraag
irrelevant want uitgaande van de peilingen had het CDA nog minimaal
een stuk of vijftien zetels nodig om in de buurt van de grootste partij te
geraken. En ze vragen Segers toch ook niet of hij minister-president
zou willen zijn.
Het werd Omtzigt kwalijk genomen door de presentator: “Als je
lijsttrekker wilt worden zul je toch ook aan allerlei politieke spelletjes
mee moeten doen…” Dat vond Omtzigt niet. En juist dáárom lijkt hij
mij de perfecte lijsttrekker voor het CDA. Hij kan dan straks als
fractievoorzitter vanuit de Tweede Kamer (want we kiezen in maart
een nieuwe Tweede Kamer, niet een kabinet!) de regering
controleren. Hetzij met premier Rutte, dan wel Kaag, dan wel
Hoekstra of De Jonge. Als regeringspartij of vanuit de oppositie. Op
de inhoud. En zonder spelletjes!

Excuses
(18 juli 2020)

“Zijn bloed kome over ons en onze kinderen,” riepen de Joden,
volgens Mattheus, naar Pilatus toen die niet goed wist wat hij met
Jezus aan moest en hem niet durfde te laten kruisigen. Ze kenden de
wet. In de Tien geboden gaat het over het ‘derde en vierde geslacht
van hen die mij haten’. Je kan dus zomaar worden aangesproken op
de daden van je overgrootvader.
Toen ik jong was lagen de wreedheden van de Tweede wereldoorlog
voor de generatie van onze ouders nog vers in het geheugen. Op
Schouwen-Duiveland, waar we toen woonden, kwamen in die tijd al
weer steeds meer Duitse toeristen. Ik hoorde nog regelmatig het
woord ‘moffen’ langs komen. En ‘geef me mijn fiets terug’. “En bij de
veerpont bij Zijpe proberen ze altijd voor te dringen!” Je kreeg als
vanzelf, ook als kind, een soort afkeer van onze oosterburen.
Maar niet alleen Duitsers kwam je tegen. We moesten als
Nederlanders ook weer met elkaar samenleven. Verzetshelden met
NSB’ers in hetzelfde dorp. Dat viel niet mee. Intussen zijn we een
halve eeuw verder. Het gebeurt nog wel eens, en je kan er ook niet
onderuit als je je plaatselijke geschiedenis kent, dat je iemand
tegenkomt waarvan je weet: zijn vader was fout in de oorlog. En
hoewel je het niet wil, denk je daar dan toch wel weer aan.
Toch is het niet zo dat we aan de kinderen en kleinkinderen van
NSB’ers nu vragen om spijt te betuigen over de daden van hun opa’s.
Of berouw te tonen of excuses te maken. Sterker nog: mensen die
anderen hun oorlogsverleden blijven nadragen wordt dat vooral
kwalijk genomen. Deze generatie kan er immers niets aan doen, de
oorlog is voorbij, we moeten weer verder!
Ook, dat is weer een ander verhaal, toen Máxima naar Nederland
kwam vonden we dat haar vader maar beter kon wegblijven, maar we
vonden ook dat we háár niet kwalijk mochten nemen wat híj op zijn
geweten had.
In dat licht vind ik het verbazend dat er in het debat in de Tweede
Kamer over racisme door sommige partijen zo ontzettend werd
gehamerd op excuses voor ons slavernijverleden. De regering had al
spijt betuigd, en het slavernijverleden betreurd, maar dat is niet
genoeg volgens sommigen.
Premier Rutte merkte op dat we ook de Spanjaarden niet vragen om
aan ons excuses te maken voor de Tachtigjarige oorlog. Wat we dan
weer wel doen is onze eigen voormannen uit die tijd de maat nemen,
en standbeelden van vermeende helden bekladden dan wel
neerhalen. Zelfs Ghandi bleek een racist en ook Churchill moest het
ontgelden.
We waren met vakantie in Engeland, en bezochten de kathedraal in
Exeter. Een prachtige kerk. We werden rondgeleid door een
enthousiaste kerkvoogd. Voor hij begon aan zijn verhaal vroeg hij of
het in het Engels kon. Wat ons betreft, de enige Nederlanders in het
gezelschap, kon dat wel. Als we Duitsers waren geweest had hij ook
een Duitstalige versie paraat gehad. Het was een enthousiast
verteller. Toen we aangekomen waren bij de kansel toonde hij ons het
houtsnijwerk. Daarin zat ook een afbeelding van Bonifatius. Hij
vertelde over diens zendingswerk en zijn noodlottig einde in Dokkum.
“And they’ve killed him!” riep hij uit terwijl hij grijnzend naar ons wees.
Dat was in 754, 1200 jaar voor mijn geboorte, dus ik voelde me niet
schuldig. Maar het kwam wel even hard aan…

Loftrompet
(1 augustus 2020)


Een bijzonder lied. Ik herinner me dat de Community Singers uit
Groningen, een gigantisch jeugdkoor onder leiding van Chris van
Bruggen, het zongen op een aanstekelijke melodie. Toen ik het later
in het Liedboek (1973) tegenkwam, vond ik die melodie een stuk
minder mooi. En na een paar coupletten begint hij me altijd te
vervelen. Wisselzang, mannen, vrouwen, koor, kan dan een oplossing
zijn. Meestal zingen we het, als het al een keer op de liturgie staat,
dan ook niet helemaal.
Willem Barnard (1920-2010) schreef het naar aanleiding van een
oude Engelse hymne, op een al even Engelse volksmelodie. Zo
kennen we het, als gezang 737, nog: ‘Jeruzalem, mijn vaderstad’. Ik
vond ‘engelen op een rij als vogels in een boom’ een bijzondere regel,
en ‘Luther die zingt als een zwaan’, en ‘Bach die de hele dag de maat
mag slaan’, en ik ervaar vreemde klemtonen bij Siméon en Davíd.
En dan heb je het couplet over de ‘negers met hun loftrompet’
(misschien bedoelde Barnard wel Louis Armstrong, Satchmo?) en ‘de
joden met hun ster’. Je kon er op wachten dat iemand zou bedenken
dat dit toch wel heel discriminerende regels zijn.
Dat gebeurde al eens in 2016. Er was toen een remonstrantse
voorganger die zich er over opwond en ik las het verhaal van een
koordirigente. Zij ontdekte het toen ze het lied met haar koor ging
zingen op het moment dat de muziek op haar lessenaar stond. Die
had zich lekker voorbereid op de repetitie, vond ik toen. Je bekijkt toch
thuis van tevoren even wat je met je koor ´s avonds gaat zingen. Ik
zou overigens niets liever doen dezer dagen dan mij voorbereiden op
de koorrepetitie, maar dat zit er nog steeds niet in met die
vermaledijde corona.
Terug naar Barnard, die in zijn jonge jaren dichtte onder het
pseudoniem Guillaume van der Graft. Hij sprak altijd graag over ‘de
dienst van het lied’. Die dienst beoefenen we ‘samen’, in tegenstellig
tot de ‘verbi divini minister’, de bedienaar van het woord, die het vaak
solo doet. Het gezamenlijke, het verlangen, met zijn allen, naar
Jeruzalem, las hij in het oorspronkelijke, laatmiddeleeuwse
‘Hierusalem my happie home’. En hij zag er ook het nieuwe
Jeruzalem uit Openbaring 21 en 22 in.
In zijn eigen hertaling voegde hij de coupletten 18, 19 en 20 toe met
Luther en Bach, (in de Middeleeuwen waren ze er nog niet,) bij uitstek
vertegenwoordigers van de kerkmuziek!
Als hij in couplet 19 de ‘negers met hun loftrompet’ noemt en de
‘joden met hun ster’ wil hij natuurlijk verwoorden dat er in het nieuwe
Jeruzalem een einde komt aan discriminatie, aan antisemitisme. Daar
zal alles goed zijn! Ook niemand meer arm, niemand meer achterop
gezet. Maar dan moet je het wel in zijn context willen zien. Dan moet
je het hele lied zingen of lezen, alle 21 coupletten. En ja, inderdaad,
de dingen worden bij hun naam genoemd. Geen blad voor de mond.
Ik heb trouwens de ervaring dat we, waarschijnlijk daarom, sowieso
die negers en die joden altijd al overslaan. Maar ze staan er wel.
Overigens schijnt er contact te zijn met de erven Barnard over een
hertaling van het lied, ik neem aan alleen van de gewraakte
coupletten. Die wordt dan via de website van het Liedboek verspreid
en kan in een volgende herdruk worden opgenomen. Alsof je als
kerklid om de zoveel tijd je liedboek zou inruilen voor een nieuw
exemplaar…

Zingen
(15 augustus 2020)

De agenda was leeg. De laatste keer dat ik in den vreemde
orgelspeelde was bij een begrafenis waarbij men wel een kerk had
besproken maar geen organist. Daar kwamen ze pas heel laat achter.
De familie was ervan uitgegaan dat bij het reserveren van de kerk ook
automatisch de organist was inbegrepen. Als je een taxi bestelt zit
daar toch ook altijd een chauffeur in…
De week daarna barstte corona los. Geen cantorij, geen kerkdiensten,
en alle koorbegeleidingen en andere orgelactiviteiten lagen opeens
stil. Ik troostte me met de gedachte dat na de zomer alles weer
anders zou worden. Maar inmiddels worden ook afspraken tot in
november al geannuleerd.
We gaan wel weer wekelijks ter kerke. Maar we zingen niet. Dat lijkt
me ook verstandig zolang de meningen van de deskundigen over een
eventueel besmettingsgevaar zijn verdeeld.
Er verschijnen filmpjes van mensen die tegen een kaars praten,
waarop die kaars prompt uitdooft. Vervolgens gaan ze tegen diezelfde
kaars zingen en dan blijft hij branden. De zanger beperkt zich dan
overigens tot wat melodieën op alleen een klinker. Als hij de kaars
toespreekt is een enkele duidelijke ‘p’ voldoende om de vlam te
doven.
Toen ik ooit zangles had ging het over een ‘zanglijn’ en ‘je tonen de
ruimte in zingen’. Mijn zanglerares vroeg me met mijn bronzen bariton
elke noot die ik zong in gedachten neer te leggen op de piano die een
meter of vijf bij me vandaan stond. Braaf deed ik wat ze vroeg.
Gedurende het zingen bekroop me het gevoel dat ik met iets heel
vreemds bezig was. Wat een flauwekul, dacht ik, en ik hield op me te
concentreren op die piano. Gelijk riep ze me tot de orde: “Ho, ho, naar
de piano toe zingen, hou vol…”
Het was dus misschien toch niet helemaal onzin, en de conclusie zou
kunnen zijn dat zingen met name gevaarlijk is als je het goed doet, als
je inderdaad je adem vijf meter voor je uit stuurt.
We zingen dus in veel kerken niet. De organist speelt de liederen en
de kerkganger kan meelezen. Sommige organisten spelen alsof de
mensen wél meezingen, compleet met voorspel en daarna nog zo’n
toontje vooraf ook! 
Ik probeer meestal te parafraseren, te omspelen, een improvisatie te
bouwen, in ieder geval meer te doen dan domweg het koraal af te
draaien. Dat vraagt nogal wat meer voorbereiding dan een
ouderwetse dienst met samenzang, maar het is mooi om te doen. En
een uitdaging om van een nikserig versje iets moois te maken!
Na de dienst spreek ik wel mensen die het boeiend vinden om mee te
lezen en te horen waar de melodie nou weer langs komt.
Ik hoor ook wel eens iemand die het zingen zo mist. En dan wordt er
voorgesteld om met een paar mensen te gaan zingen. Hier en daar
doet men dat ook. Ik ben daar niet voor. Ik heb op deze plaats al
vaker betoogd dat samenzang iets is om samen te doen. Met zijn
allen. Het is ook niet in de eerste plaats bedoeld om naar te luisteren,
maar om te beleven.
Als twee of drie mensen zingen geldt alleen voor die twee of drie dat
ze het zingen even niet missen. Voor de anderen maakt het niks uit…
En ik ben wel zo eigenwijs te veronderstellen dat het boeiender is om
naar een zorgvuldige improvisatie te luisteren dan naar een stuk of
wat coupletten duozang van een paar gemeenteleden.

Ambtelijke molens
(29 augustus 2020)

Ambtelijke molens malen niet snel. Het is een uitdrukking. Als kind
ergerde ik me daar aan. Pa ging elke dag naar het gemeentehuis en
zat ook ‘s avonds en in het weekend vaak achter zijn bureau te
werken aan begrotingen en jaarrekeningen van andere gemeentes.
En als muziekschoolmedewerker was ik ook zelf mijn hele werkzame
leven ambtenaar.
In de tijd dat onze generatie kinderen kreeg was het nog vaak de
gewoonte dat de jonge moeder stopte met werken. En als ze wel weer
aan de slag ging was dat meestal in deeltijd. Niet iedereen heeft opa’s
en oma’s die niets liever doen dan de kleinkinderen entertainen. En
als je de hele week full time vooral aan het werk bent om de kosten
van de kinderopvang te verdienen voelt dat toch een beetje als het
achter de wagen spannen van het paard. Veel vaders en moeders
verdelen daarom de lasten. Vader werkt vier dagen, moeder drie
dagen, en als je dat een beetje handig verdeelt hoeft je zoon niet elke
dag naar de kinderopvang.
Er kwamen subsidies. Kinderopvangtoeslag.. We vonden het met zijn
allen belangrijk dat iedereen die dat wilde aan het werk kon blijven.
Maar zoals bekend ging er iets mis. Er werd hier en daar fraude
gepleegd. Oma zorgde gratis voor de kleinkinderen en moeder streek
de toeslag op. Zoiets. Vervolgens ging de belastingdienst er van uit
dat veel jonge ouders dat wel zouden doen en vorderde betaalde
toeslagen terug.
Maar als dan blijkt dat ze daarin te ver zijn gegaan en er speciaal een
nieuwe staatssecretaris aantreedt om het netjes te regelen snap ik
niet waarom dat dan ook niet gebeurt. Het is toch warempel niet zo
ingewikkeld om boekhoudingen te controleren. Wat me overigens
verbaasde is de grootte van de betaalde bedragen. Vele
tienduizenden euro’s. Als je dat moet terugbetalen is dat uiteraard
nogal problematisch. Je kreeg die toeslag nou juist omdat je niet de
middelen had om zelf die opvang te bekostigen. Je hebt dan dus geen
tienduizenden euro’s op je spaarbankboekje staan.
Mevrouw van Huffelen gaat het oplossen. Ze “bevestigde dat er met
veertig gevallen een start wordt gemaakt om vervolgens te leren van
de ervaringen die daarbij worden opgedaan. In de tussentijd gaat de
aandacht vooral uit naar het werven van personeel voor de uitvoering,
en het bepalen binnen welke kaders de schadevergoedingen moeten
blijven.” Ik las het in de krant, en mijn mond viel open. Juist vanwege
deze opvangtoeslagproblematiek zijn er twee staatssecretarissen van
financiën. Dan moet zo’n probleem toch op te lossen zijn, en dan zou
ze toch al verder moeten zijn dan de denkfase? Klopt het dan toch
van die ambtelijke molens?
Net zoiets is het geval met de 1000 euro bonus voor het
zorgpersoneel. In maart nam de Tweede Kamer de motie aan waarin
tot die bonus werd besloten. Die motie was ingediend door Femke
Merel-Van Kooten, van wie niemand meer weet wie of wat ze
vertegenwoordigt, maar dit had ze toch maar mooi voor elkaar
gekregen! Afgelopen week tijdens het Kamerdebat werd op haar
vraag daarnaar meegedeeld dat het bedrag waarschijnlijk in januari
2021, als het erg meezit misschien nog net eind december, wordt
uitgekeerd. Een bevalling van negen maanden voor een tamelijk
overzichtelijke actie.
Voor de problemen met de kinderopvangtoeslag had Renske Leijten
van de SP wel een oplossing: doe mij tien ambtenaren en ik regel het.
Het lijkt me een prima idee, al zou ik geen ambtenaren nemen!

Corona-proof
(12 september 2020)

Het gaat op heel verschillende manieren.
De een pakt gewoon zijn winkelwagentje, doet zijn boodschappen en
gaat weer naar huis. De ander poetst eerst met een doekje de
handvaten van het karretje schoon en schuifelt door de supermarkt
met angstvallige blikken om zich heen of hij niet te dicht in de buurt
van andere winkelende mensen of personeel van de zaak komt. Ik
betaal altijd met de pin, maar soms heb ik zoveel nodig dat het niet
contactloos kan. Met angst en beven toets ik dan mijn pincode in, een
enkele keer met gebruikmaking van een sleutel, maar als ik dat doe
zie ik mezelf bezig en geneer ik me haast voor mijn omzichtigheid.
Bij ons in de kerk houden we anderhalve meter afstand. In principe.
Want iedereen weet dat dat niet echt honderd procent is vol te
houden. Ons gangpad is nauwelijks anderhalve meter, en we gaan,
alweer in principe, om de beurt naar binnen en buiten, maar soms kan
het gewoon niet anders dan dat je elkaar even moet passeren.
Ik was bij een huwelijksvoltrekking. De geplande festiviteiten, een
diner met aansluitend een groot feest, waren aangepast. Het feest
was iets minder groot. Na het huwelijk was er champagne, we
dronken koffie, een borrel, en we genoten van een buffet. Het feest
was corona-proof, zou je kunnen zeggen. Het feliciteren ging niet met
omhelzingen, handenschudden of kussen, maar met al dan niet
elegante buigingen. Om het toch iets persoonlijker te maken toostten
we met onze champagneglazen. Toen we ons realiseerden dat we
met de randen van elkaars glazen indirect ook elkaar raakten werd er
getoost met de bolle onderkant van het glas. Je wordt nog creatief van
die corona!
De huwelijksvoltrekking zelf ging, zoals de ambtenaar aankondigde,
ook geheel volgens de coronaregels. Toen de huwelijksakte moest
worden ondertekend werd de balpen waarmee dat moest gebeuren
na elke gezette handtekening afgeveegd met een doekje. Het deed
me denken aan de voorganger die na elke slok wijn de rand van de
beker afveegt, waarbij ik me steeds afvraag of dat, ná de eerste keer,
nog wel zin heeft. En natuurlijk kunnen we ook niet meer een stuk
brood ronddelen, waarbij iedereen daar een stukje afbreekt en aan
zijn buurman geeft. Als organist ben ik, zowel met het brood als de
wijn, altijd de laatste die wat krijgt. Met de coronakennis van nu is dat
eigenlijk een huiveringwekkend idee, en dat zal het, als er ooit een tijd
van ná de corona komt, ook wel blijven.
Ik vraag me ook altijd af wat er over blijft van die anderhalve meter bij
allerlei televisieprogramma’s waar iedereen zo braaf op afstand zit.
We zien niet wat er gebeurt als de camera’s niet draaien. Ik vind ook
altijd dat poetsen van de microfoons in de Tweede Kamer een beetje
een potsierlijk gezicht. Deze week zag ik het weer gebeuren, terwijl ik
met plaatsvervangende schaamte zat te kijken hoe de
verkiezingscampagne was begonnen. Waarmee ik niet wil zeggen dat
Grapperhaus vrijuit gaat. “Wie zonder zonden is,” zei Van der Staaij,
en zo is dat!
Tijdens de huwelijksceremonie waarvan wijzelf getuige waren, wat
Gera betreft zelfs letterlijk, bleek de ruimte niet groot genoeg om
anderhalve meter afstand te houden. Manmoedig zaten we naast
elkaar, enigszins onopvallend proberend om niet te veel naar links en
rechts uit te ademen. Gelukkig lagen er geen paparazzi in de bosjes…

> COLUMNIST
> STARTPAGINA


De nieuwste column :

> COLUMNIST
> STARTPAGINA

Preekconsent en meer
(26 september 2020)

“Het telt niet, want hij is geen echte dominee!” Het is alweer een hele
tijd geleden dat ik het meemaakte dat een mevrouw dat zei. Het ging
over de zegen, aan het eind van de dienst uitgesproken door de
pastoraal werker. Volgens haar mocht hij dat niet doen. Een zegen die
niet telt. Het deed me denken aan de zegen van Izak voor Jakob. Ik
vroeg me af of zo’n op slinkse wijze verkregen zegen wél zou moeten
tellen, en ik vond het ook flauw dat er voor Ezau niks meer overbleef.
Kerkelijke regels, daar wil ik het over hebben. Zoals over het woord
preekconsent. In de tijd dat mijn vader scriba was en hij ervoor zorgde
dat er elke week een predikant op de kansel stond kwam het woord
nog wel eens langs. Want om te mogen preken in de gereformeerde
kerk had je wel een preekconsent nodig. De dominees die hij
uitnodigde waren geen probleem maar bij ‘lerende ouderlingen’ en
mensen met ‘singuliere gaven’ (ook zulke belegen termen) moest je
wel zeker weten of ze mochten preken. Zo’n consent kregen ze
trouwens vaak nadat ze voor een classisvergadering, een gremium
(we zijn nou toch bezig!) met vooral veel ouderlingen, gewone
kerkenraadsleden dus, een preek hadden moeten houden, die die
vergadering dan beoordeelde.
Als je geen dominee was, maar wel preekconsent had, mocht je wel
preken, maar geen sacramenten bedienen. Avondmaal vieren en
dopen was er niet bij. En volgens die mevrouw de zegen geven dus
ook niet!
Tegenwoordig doen we niet meer zo moeilijk. Ik ken kerken waar
gemeenteleden de preek houden terwijl de predikant als kerkganger
in de kerk zit. Ik zou daar als dominee slecht tegen kunnen. Ik vind het
ook niet echt prettig om in een gewone kerkbank te zitten terwijl
iemand anders het orgel bespeelt.
Nog meer regels: Toen we onze dochter wilden laten dopen kon dat
niet direct. We hadden nog geen belijdenis gedaan. En dat was wel
een voorwaarde. Soms heeft een van beide ouders dat al wel gedaan,
en kan de ander er voor kiezen te verklaren dat hij niet zal dwars
liggen bij de christelijke opvoeding.
We hebben toen een spoedcursus gehad, en op een zondag, exact
vier maanden na haar geboorte, deden we belijdenis en werd ze
gedoopt. Door een echte dominee, met zo’n echte domineesstem: “Ik
doop je in de naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen
Geestes!” Ik weet niet meer of de gemeente ook gevraagd werd om
ons te steunen bij die christelijke opvoeding met een plechtig “Ja, dat
beloven wij!” Dat zou best kunnen.
Overigens zijn tijdens de doop van onze dochter geen foto’s gemaakt,
en er werd zeker niet gefilmd. Bij een Amerikaanse priester was dat
ooit wel gebeurd. Maar hij was nogal geschrokken toen hij het filmpje
terugkeek. “Wij dopen je…” (eerste persoon meervoud), zei de
voorganger. Juist vorige maand verklaarde de Katholieke kerk dat een
doop alleen geldig is als er ‘ik’ wordt gezegd, enkelvoud. De
voorganger vertegenwoordigt Christus, en verder niemand. De
Amerikaanse priester heeft zich laten overdopen, en is zelfs opnieuw
tot priester gewijd. Want ook zijn eerste wijding telde dus niet meer!
Ze zijn nu druk bezig om iedereen op te sporen die door hem gedoopt
is, of getrouwd, of gezegend, of wat dan ook. Een soort corona-achtig
contactonderzoek. Alles moet opnieuw gedaan worden. Want achteraf
telt het allemaal niet…

Kees Steketee

> COLUMNIST
> STARTPAGINA