recente columns      

> COLUMNIST
> STARTPAGINA

Op deze pagina treft u steeds de meest recente column(s) aan.

Voor de columns van de afgelopen twee jaar:
Zo lust ik er nog wel een

Foto
(3 april 2021)


Sinds onze telefoons zijn geëvolueerd tot computers maak ik al mijn
foto’s daarmee. Het kan ontzettend handig zijn als je een
gebruiksaanwijzing niet kan lezen. Je maakt een foto en zoomt
daarna in. De techniek staat voor niets.
Minister Ollongren werd het slachtoffer van die techniek. Een beetje
onhandig, wat zeg ik, ontzettend onhandig liep ze met haar
aantekeningen onder haar arm over straat. De fotograaf die was
ingehuurd om een op de tafel dansende Sigrid Kaag vast te leggen
was ook niet te beroerd om even af te drukken toen hij haar collega
van Binnenlandse Zaken zag lopen.
Dat dansen op tafel was trouwens naar aanleiding van de recordwinst
van D66. 27 zetels! Nog meer dan Van Mierlo ooit met 24. Later
bleken het er 23 te zijn, en nog later toch weer 24. Dat was ook zo
grappig op die verkiezingsavond met al die analisten die ook
vaststelden dat de ChristenUnie was afgerekend op de
regeringsdeelname. Van 5 naar 4. De volgende dag waren het er toch
weer 5, en sloegen al die analyses nergens meer op.
Ik vind het wel heerlijk, praatprogramma’s niet meer alleen over
corona, maar ook over de politieke consequenties van die bijzondere
verkiezingsuitslag. Over een formatie, waar de formateur, die vaak
wordt voorafgegaan door een informateur, de laatste keren ook
steeds nog door een verkenner wordt voorbereid. Dat is altijd een wat
oudere politicus, met wat afstand tot de waan van de dag. Dat er nu
zelfs twee verkenners werden aangesteld, midden uit het politieke
leven, zou je op zijn minst vreemd kunnen noemen.
Die blunder van Ollongren deed me denken aan wat ik zelf
meemaakte toen ik in conflict lag met mijn baas, zo iemand die
tegenwoordig leidinggevende heet. Haar argumenten en
berekeningen hoe en met welke kosten zij mij weg kon krijgen
kopieerde ze op het kopieerapparaat bij ons op kantoor, en het
origineel liet ze liggen. Toen ik zelf even op de knop drukte wist ik
precies wat ze van plan was, en kon mijn tegenmaatregelen nemen.
Dat heeft achteraf geweldig uitgepakt!
Omtzigt weet nu ook waar hij aan toe is.
Ik had al vaker moeite met Ollongren, en, ik schrijf dit op 27 maart,
morgen gaat de zomertijd in, dan denk ik weer aan haar onderzoek
naar het draagvlak voor die klok die een uur vooruit gaat. In dat
onderzoek (op 5 januari 2019 schreef ik er over), waaruit de conclusie
werd getrokken dat de meerderheid tegen de zomertijd is, werd in een
vraag over permanente zomertijd volgens haar “gesuggereerd dat de
zon in dat geval eind juni om 20.00 uur ondergaat. Dat moet 22.00 uur
zijn.” Afgezien van het woord ‘gesuggereerd’ (hoezo, het werd
blijkbaar niet gewoon gezegd, maar in bedekte termen meegedeeld?)
vind ik het een rare toestand. De grap van die zomertijd is toch juist
dat het langer licht blijft. Daar gaat het toch om. Op dat gegeven
baseer je toch je mening? Maar Ollongren was niet voor een gat te
vangen. Ze betwijfelde “of de fout van invloed is geweest op de
uitslag.” Blijkbaar maakt het niet uit hoe je je onderzoek doet.
Iedereen kan tegenwoordig maar minister worden!
De formatie strompelt voort, met twee nieuwe verkenners en een D66
dat al volop bezig is zijn hand te overspelen. “Weg met de avondklok,”
riep mevrouw Kaag, “omdat wij met onze 24 kamerstoelen dat
willen…”
Boeiende, maar eigenlijk ook gênante tijden.
Toch is het dit weekend gewoon Pasen!
 

Kaag
(17 april 2021)

Soms is de werkelijkheid zo wonderlijk, dat je het niet zou kunnen
verzinnen. Dergelijke gedachten beslopen mij toen ik het
formatiecircus in Den Haag langs zag komen. Wat zijn het toch
bijzondere jongens, die politici, en meisjes, uiteraard.
We hadden tussendoor nog de verkiezing van de voorzitter van de
Tweede Kamer. Ik geniet als Martin Bosma de vergadering voorzit.
Vlot en met humor. En ik genoot van zijn toelichting op zijn sollicitatie.
Maar hij is van de verkeerde partij.
Eén voor één mochten de Kamerleden, in drie groepen van vijftig, hun
stembriefje inleveren in een door de hartstichting veertig jaar geleden
al afgedankte collectebus. Al na één ronde werd mevrouw Arib
bedankt voor bewezen diensten en kregen we D66-mevrouw Vera
Bergkamp als voorzitter. De naam Bergkamp associeerde ik altijd met
die fantastische goal tegen Argentinië. Frank de Boer schoot de bal
diagonaal over het veld naar de rechtsbuitenplek waar Dennis hem op
onnavolgbare wijze opving, doodmaakte, en met een subtiel maar o
zo effectief trapje met de buitenkant van zijn rechtervoet achter de
keeper tikte. Ik was in die tijd een groot fan van het Nederlands elftal,
en dacht dat ik even helemaal gek werd. Wat was dat mooi.
Het Nederlands elftal van tegenwoordig doet me niet veel meer, wat
zeg ik, veel van de spelers vind ik irritante baasjes die niet in de gaten
hebben dat voetbal een teamsport is. Ikke, ikke, ja, juicht u vooral
voor mij, ikke maakte het doelpunt. Maar de pass, of het balletje diep
dat er aan vooraf ging, was veel knapper. Je ziet ook spelers die niet
of nauwelijks juichen, als een collega scoort. Ze hadden liever de bal
zelf in het doel geschoten.
Voetballers lijken wel politici. En omgekeerd. Wilders sprak, in
voetbaltermen, over een een-tweetje tussen Rutte en Kaag, om Vera
Bergkamp naar voren te schuiven als kandidaat voorzitter. En om de
vermeende goede verhoudingen te laten zien stemde direct de
meerderheid maar op haar.
Gert-Jan Segers, de leider van de ChristenUnie, besloot, nadat men
had afgesproken het paasweekend te gebruiken om na te denken, dat
hij op Stille Zaterdag al was uitgedacht. Dat kan. Sommige mensen
kunnen snel denken. “Nooit meer met Rutte in een kabinet.”
Zondagmorgen in een praatprogramma, dat ik tegenwoordig gewoon
kan zien omdat we onze kerkdiensten op zaterdag opnemen, maakten
prominente VVD’ers zich daar kwaad over, maar probeerden ook heel
stoer te doen, en te zeggen dat die 5 zeteltjes van Segers cum suis
heus niet cruciaal waren. Ik snapte niet waarom ze zich dan zo kwaad
maakten! En de afgelopen vier jaren waren ze meer dan cruciaal!
Sinds de Omtzigt-functie-elders soap wil men meer openheid. Maar
volgens mij is teveel openheid helemaal niet goed. Je moet toch bij
onderhandelingen de vrijheid hebben om alles te kunnen zeggen. Als
je weet dat alles openbaar wordt, kan je geen enkele mening meer
geven lijkt me.
Intussen, de werkelijkheid zou zomaar nog erger kunnen zijn dan je
kan bedenken, bekroop me opeens de gedachte dat Ollongren met
opzet die aantekeningen open en bloot mee naar buiten had
genomen. Want het blijft natuurlijk uiterst vreemd als je een tas onder
je arm hebt, en je stopt je papieren daar juist níet in. Niet eens in een
mapje?! Dan heb je daar misschien toch een bedoeling mee. En het
kwam D66 goed uit. Rutte in het nauw, en Kaag denkt dat ze in een
riante positie zit. “Nieuw leiderschap!” roept ze. Ik hou mijn hart vast…

Taal en nuance
(1 mei 2021)


Bij ons op school had de leraar Nederlands de gewoonte om bij elke
werkwoordsfout in een tekst anderhalve punt af te trekken. Als je een
schitterend opstel had geschreven met een paar verkeerde d’s en t’s
kon het zomaar gebeuren dat je een onvoldoende kreeg. Ik kan me
niet herinneren dat daarover veel discussie was. Het was immers het
vak Nederlands; logisch dat het dan goed moest.
Anders werd het toen ook de leraar geschiedenis taalfouten ging
bestraffen. Als je precies wist wie waar en met wie en waarom oorlog
had gevoerd, maar je was niet goed in werkwoordsvormen kon dat
ook zo zijn consequenties hebben. Met hém ging de klas wel in
discussie. En ik meen me te herinneren dat de klas toen gewonnen
heeft. Wel bleef hij taalfouten met een extra dikke rode pen
aanstrepen. “Ik hoop dat je daar wat van leert…” was zijn standaard
opmerking.
In deze tijd zijn we doodsbang dat we mensen tekort doen, kwetsen,
of discrimineren. Ik hoorde over een vorm van discriminatie die ik nog
niet kende. In Groot-Brittannië, om precies te zijn aan de universiteit
van Hull, mogen docenten taalfouten niet meer verbeteren. Want door
dat te doen maken ze onderscheid tussen mensen die goed in Engels
zijn, en lieden die die taal, vaak omdat ze buitenlander zijn, minder
goed beheersen. Dergelijke studenten zouden door die aandacht voor
hun taalgebruik worden benadeeld. “Inclusiviteit en diversiteit komen
op die manier in het gedrang…”
In Trouw had columnist Jan Beuving, een wiskundige die ook
fantastische cabaretprogramma’s maakt, het er ook over.
“Communiceren in eigen taal zou ook helpen,” vindt hij. En hij hekelde
en passant het gebruik van Engels aan Nederlandse universiteiten.
Het lijkt misschien wel stoer om alles in het Engels te doen, maar het
vertellen van een verhaal in een taal die niet je moedertaal is “is
funest voor de nuance, en daarmee voor de boodschap.”
Over taal en nuance gesproken. Onvermijdelijk hebben we het dan
weer over de politiek, het vertrouwen daarin, en de formatie. Minister
Hoekstra schijnt ooit in een ministerraad (waar het ging over de
eindeloos voortslepende toeslagenaffaire) gezegd te hebben dat
Pieter Omtzigt moest worden getemperd. Later bleek hij dat woord
niet te hebben gebruikt. Hij had gezegd dat Omtzigt moest worden
gesensibiliseerd. Dat wordt hem kwalijk genomen en de geheime
notulen van die ministerraad worden nu zelfs openbaar gemaakt,
zodat we allemaal kunnen zien hoe erg dat wel niet was.
Ik heb het idee dat ik enigszins begrijp wat het woord betekent. Op het
internet lees ik dat sensibiliseren inhoudt dat je iemand wijst op, of
gevoelig maakt voor, dingen waar die ander eerst geen aandacht voor
had. Het zal wel. Ik heb het woord zelf nooit gebruikt, en zal dat, na
deze column, ook nooit meer doen!
Mij lijkt het niet zo vreemd dat je als regerende club overlegt hoe je
alle neuzen in dezelfde richting krijgt. En ook niet vreemd dat je dan
weleens iets ongenuanceerds zegt, iets dat een ander beter niet kan
horen, zonder dat het nou een pertinente leugen of een doodzonde is.
Ik denk ook niet dat volledige openheid een goede zaak is. (Veertien
dagen geleden had ik het er ook al over.) Formeren, onderhandelen,
het is aftasten, zoeken hoe de dingen zouden kunnen gaan lopen. Als
je alles direct en volledig hardop zegt valt er niks meer te
onderhandelen.
Maar er een enigszins genuanceerde mening op na houden is
natuurlijk nooit verkeerd…

Orgelspelen in de kerk (1)
(15 mei 2021)

In de tijd dat ik begon als kerkorganist was het gebruikelijk dat de
koster ervoor zorgde dat op zondagmorgen het orgelbriefje klaarlag
op de trap naar het orgel. Naar boven lopend keek je het even door,
en boven aangekomen was het het makkelijkst om de overbekende
bundel van Worp op de lessenaar te zetten en de aangegeven
psalmen daaruit te spelen. Inclusief het voorspel. De meeste kende je
wel, en de psalmen die je niet kende werden toch nooit gezongen.
Omdat iedereen uit Worp speelde zouden trouwens veel
gemeenteleden, naast de psalm zelf, ook het voorspel makkelijk
hebben kunnen meezingen! Achteraf kan ik me nauwelijks voorstellen
dat we als organisten die gang van zaken accepteerden.
Toen mijn vader, die mij voorging als organist/begeleider, eens op
zaterdag de dominee belde met de vraag naar de te zingen liederen
kreeg hij van de voorganger doodleuk het antwoord dat hij dat nog
niet precies wist en dat de organist (ik was aan de beurt, pa belde om
mijnentwil) maar moest opletten op zondagmorgen welke nummers hij
opgaf. Mijn vader adviseerde mij toen om tijdens de kerkdienst maar
heel lang te doen over het opzoeken van de juiste psalm. Misschien
dat dat onze predikant zou stimuleren om wat eerder met de
liturgische gegevens op de proppen te komen.
Ikzelf vond het eerlijk gezegd niet zo’n probleem. Ik vond het ook nog
wel stoer om vanuit het eenstemmige psalmboek de liederen
improviserend van begeleidingsakkoorden te voorzien. Ook dat kan ik
me nu nauwelijks meer voorstellen. Niet dat het niet op die manier zou
kunnen! Heus wel! Maar een voor de vuist weg geïmproviseerde
harmonisatie haalt het natuurlijk niet bij een zorgvuldig voorbereide
zetting, waarbij een mooi lopende baslijn en stimulerende akkoorden
er voor zorgen dat de gemeente als vanzelf wordt meegenomen in de
gang van het te zingen lied. Nog steeds zorg ik dat ik op zondag een
uitgewerkt akkoordenschema bij me heb van de liederen die op de
liturgie staan. Een krakkemikkige begeleiding werkt krakkemikkig
zingen in de hand!
Nadat de ‘enige gezangen’ werden uitgebreid tot 29, later tot 59, toen
119, en in 1973 met het liedboek tot 491, begrepen de meeste
voorgangers ook wel dat je als organist soms iets voor te bereiden
had. Ook al hebben we die 491 gezangen in de veertig jaar dat dat
boek werd gebruikt natuurlijk lang niet allemaal gezongen, het kwam
nog wel eens voor dat er een lied moest worden gespeeld dat ik niet
kende, en dat ook niet als vanzelf uit de vingers kwam. Dan was het
wel handig dat je op vrijdag of zaterdag al wist dat dat versje die
zondag aan de beurt was.
Overigens ken ik collega’s voor wie dat voorbereiden van een
kerkdienst vooral bestond (en misschien nog wel bestaat) uit het op
zaterdagmiddag doornemen van interessante of virtuoze voorspelen.
Ze zoeken in hun muziekkast naar mooie bewerkingen of naar
speciaal voor kerkdiensten gecomponeerde voorspelen. Het
begeleiden van het lied (en dat is toch waar het om gaat!) neemt zo’n
organist er min of meer op de koop toe bij. Hij speelt het uit het hoofd,
waarbij het maar de vraag is of de gemeente (vooral bij een minder
bekend lied) gebaat is bij zo’n voor het vaderland weg
geïmproviseerde akkoordenopeenvolging.
In coronatijden gaat alles allemaal heel anders. En dáár wilde ik het
eigenlijk in dit verhaal over hebben. Maar mijn kolom is vol. Wordt dus
vervolgd!

Orgelspelen in de kerk (2)
(29 mei 2021)

In coronatijd is alles anders. Van een voluit meezingende
kerkgemeente zijn we in recordtijd geëvolueerd tot een online
gebeuren met drie zwijgende mensen, maar zoals het er nu naar
uitziet intussen naar weer een min of meer normale dienst, met
maximaal dertig kerkgangers. Maar die dertig kerkgangers worden
zeker niet geacht mee te zingen!
Dat biedt veel en mooie mogelijkheden voor de organist. Ik ken
collegae die online doen alsof er wel een gemeente is, er van
uitgaande dat de mensen thuis op de bank zitten mee te zingen. Ze
spelen een voorspel, soms compleet met toontje vooraf na het
voorspel, alsof ze de thuiszittende meezinger, of zichzelf (!) niet
vertrouwen, en draaien gewoon als het ware het aantal coupletten af
dat op het programma staat.
Als je thuis op de bank níet zit mee te zingen (wat ik een behoorlijk
reële optie vind) valt er weinig luisterplezier aan zo’n lied te beleven.
Ik vind juist het mooie van deze situatie dat je als organist allerlei
mogelijkheden hebt om de geprogrammeerde liederen van meer en
andere muziek te voorzien dan in een samenzangsituatie. Je kunt
over de melodie improviseren, en hoeft je daarbij niet per se aan het
ritme van de liedboekversie te houden (zoals, om maar eens iemand
te noemen, collega Johan Bach dat ook vaak niet deed!), kunt vrijuit
transponeren naar toonsoorten die wel heel mooi klinken, maar te
laag of te hoog zijn om mee te zingen, en ikzelf verkeer ook nog eens
in de gelukkige omstandigheid dat er in onze gemeente een
sopraansaxofoniste huist die graag en schitterend meespeelt.
Bachbewerkingen met uitkomende stem door sopraansax, partita’s
met duo’s en trio’s, melodie in de bas, in de tenor, in de sax, met al
naar gelang treurige, enthousiaste, langzame, swingende, of gewoon
rechttoe-rechtaan in- en uitleidingen.
Kortom, het is wat mij betreft genieten van onlinediensten zonder
zang. “Wat kun je nu goed horen wat de organist allemaal doet!” zei
me laatst een gemeentelid.
Maar uiteraard is dat niet wat we willen. We willen zingen!
Intussen zijn we begonnen met diensten met 30 mensen en een paar
zangers uit de cantorij. Ook dan hebben we de luxe om niet per se de
liederen ‘gewoon’ te zingen. Met een club die een avond wil repeteren
kan ik bewerkingen maken die het, hopelijk, voor de niet-zingende
kerkganger en de online thuiszitter prettiger maken om mee te maken.
Prettiger dan alleen maar de liederen zonder meer, of, wat ook hier en
daar gebeurt, filmpjes via de beamer, later te zien op
kerkdienstgemist, die door een handige technicus (en met de zegen
van de EO) uit ‘Nederland zingt’ worden geplukt. Ik ken ook
organisten die, overal waar ze spelen, hun filmende telefoontje
meenemen, en het resultaat daarvan later op YouTube zetten. Ook
van deze ijdelheid wordt her en der dankbaar gebruik gemaakt in
onlinediensten.
Ondanks al mijn vreugde over de luxe van de online mogelijkheden:
wat zou het mooi zijn om weer gewone diensten te hebben, waarin
het je taak als organist is de lofzang, met een voluit zingende
gemeente, gaande te houden. Met mooie, goed voorbereide en tot
zingen uitnodigende zettingen van de liederen, met ‘genoeg’ muziek
om de tijd vóór de dienst te vullen, om tijdens de collecte het slotlied
boeiend in te leiden, en met na de dienst een fijne uitsmijter, die niet
al te lang duurt, in verband met de hopelijk klaarstaande koffie!

Orgelspelen in de kerk (3, slot)
(12 juni 2021)

Het is al weer zes weken geleden dat ik iets schreef over de formatie
van ons nieuwe kabinet. In vroeger tijden was het tijdens
formatiepogingen smullen van de politieke verwikkelingen in Den
Haag, en (de kerkbode verscheen toen nog wekelijks) was er elke
week ook wel iets om je al columnend over op te winden. Dezer
dagen zijn de hoofdrolspelertjes vooral met zichzelf bezig, en dat al
bijna drie maanden. Als columnist je daar steeds weer over opwinden
lijkt me knap ongezond, en doe ik dus ook maar niet meer.
Dus toch nog maar even, tot slot, beloof ik u, over het orgelspelen in
de kerk.
Ik eindigde vorige keer met de hoop dat er na al dat gespeel, en een
kort uitleidend muziekje, een kop koffie wordt gepresenteerd. Dat gaat
nu gebeuren!
Zingen met de hele gemeente is er nog niet bij. We mogen nog even
muziek maken met een paar mensen in een minicantorijtje. Erg mooi
om te doen! Ik zag wel een advies van de PKN over dat zingen. Het
zou best mogen, maar dan moeten de mensen hun stem niet al te
zeer verheffen, en het liefst ook alleen het laatste lied van de liturgie.
Dan kan daarna iedereen zo snel mogelijk na het zingen de kerk uit,
(met excuus voor de flauwe woordspeling,) als tenminste het
uitleidende muziekje niet te lang is.
Sommige organisten zetten namelijk een stuk literatuur van heb ik jou
daar op de lessenaar. De gemeenteleden worden dan geacht die zes,
zeven, acht minuten braaf uit te luisteren op hun zitplaats. Als
orgelliefhebber is dat geen probleem, maar als je dat niet bent, en
waarom zou je als kerkganger automatisch orgelliefhebber moeten
zijn, is dat een hele zit. Er zijn dus ook mensen die dat niet volhouden
en zich toch maar alvast naar de uitgang begeven, dit tot ergernis van
hen die wel zitten te luisteren, een ergernis die het vaak wint van het
luistergenot. Voor hen is de lol er dan ook af. “Wat een
orgelbarbaren!”  Dus wat mij betreft toch maar een kort stukje na de
dienst.
Voor de dienst wordt ook altijd orgelspel verwacht. In coronatijden
hoefde dat niet per se, want de online dienst kon ook gewoon direct
starten. Je hoeft de mensen thuis niet bezig te houden terwijl ze thuis
zitten te wachten. Dan kunnen ze nog wel even koffie drinken of de
zaterdagkrant lezen. Maar nu de diensten weer fysiek worden is er
ook weer als vanzelf muziek voor de dienst. Ik ken kerken waar je als
organist behoorlijk in de toetsen moet grijpen om boven de
keuvelende gemeente uit te komen. Ik doe dat dan niet, want daar
gaat men alleen maar harder van praten. Ik speel mooi zacht, en kan
rustig mijn muziek wisselen tussendoor, want als het orgel even zwijgt
merkt men dat niet eens. In zulke kerken was het overigens bij
begrafenissen meestal wél stil voor de dienst, hoewel ik de indruk heb
dat dat de laatste tijd ook minder wordt. Vooral als de overledene al
op leeftijd was ziet niet iedereen aanleiding om in stilte de dienst af te
wachten. Stil zijn vinden we op de een of andere manier eng, lijkt het
wel.
Niettemin, mooi dat het land weer open gaat, en je als kerkganger
weer de mogelijkheid krijgt live aanwezig te zijn, en je
medekerkgangers te ontmoeten, en te spreken, vóór, tijdens en ná de
dienst! 

CDA
(26 juni 2021)

Ooit was ik, geboren in een warm ARP-nest, enthousiast lid van het
CDA. In de trein naar Den Haag, we schrijven juni 1977, stak ik mijn
sigaren aan met lucifers uit een groen CDA-lucifersdoosje. In de
rookcoupé. Zoals je stil bent in een stiltecoupé, rook je in de
rookcoupé! Een al wat oudere mevrouw (hoewel, ze was niet ouder
dan ikzelf nu ben, alles is relatief) werd helemaal lyrisch toen ze mijn
lucifers zag en praatte de hele verdere treinreis over Van Agt en Den
Uyl.
In de loop der jaren is mijn enthousiasme een stuk minder geworden.
Van Agt vond ik nog wel grappig, soms ook irritant, en op den duur
een karikatuur van zichzelf, en ik was niet echt weg van Lubbers. Wat
moet je ook als gereformeerde jongen met die katholieken, maar ik
heb wel altijd een zwak gehad voor het CDA. Waarbij ik me ook
realiseer dat ‘een zwak hebben’ voor iets of iemand altijd iets
meewarigs in zich draagt. Iets van medelijden. Ik schiet ook nog
steeds vol als ik op het politieke net weer een herhaling zie van het
congres in 2010 waar het ging over die vermaledijde samenwerking
met de PVV. Klink was toen mijn man, en die Limburgse
schreeuwlelijk die nog een tijdje bij de KLM heeft gewerkt zeker niet.
Als Groninger was je trots op Henk Bleker maar dat duurde maar héél
even.
Het CDA is weer behoorlijk in het nieuws. Eerst al met die vreselijke
lijsttrekkersverkiezing. Je zou denken dat mensen van de
geschiedenis leren. Van hun eigen geschiedenis, maar ook die van
anderen. Zoals van de ervaring van de VVD met Mark Rutte en Rita
Verdonk. En al helemaal van de PvdA met  Samsom en Asscher. Die
strijd werd haast letterlijk een  broedermoord. Maar het CDA
organiseerde toch ook zo’n onding en De Jong versloeg, zij het nipt,
Omtzigt. Diens vrouw werd via de stemsite bedankt voor haar stem op
De Jong. Maar er was niks verkeerd gegaan, zo liet men blijken uit
onderzoek. Toen De Jong al dan niet uit eigen beweging stopte werd
niet Omtzigt de leider, maar Wopke Hoekstra, de man die geen
kandidaat had willen zijn, omdat hij zichzelf geen politicus vindt.
De Kamerverkiezingen worden voor het CDA een fiasco. Men gaat
intern onderzoeken hoe dat zo gekomen is, en een vertrouwelijke
notitie van Omtzigt, nou ja, notitie, een scriptie van 67 kantjes, lekt uit.
Hoe kan nou een vertrouwelijk stuk uitlekken? Je stuurt het naar
Liesbeth Spies, en meer exemplaren zijn er dan toch ook niet?
Kwade tongen beweren dat Omtzigt zelf heeft gelekt om zijn vertrek
uit het CDA te legitimeren. Ik vind ook wel dat hij zich steeds meer
gaat gedragen als hét geweten van het CDA, alsof hijzelf de enige
echte CDA’er is.
Wat me ook verbaast, is dat Van Rij nu weer voorzitter is. Dat was hij
eerder, en toen probeerde hij zelf lijsttrekker te worden. Zijn
machtsgreep mislukte en de onbekende Balkenende werd succesvol
partijleider en daarna premier. Van Rij af. Voorgoed, dacht ik toen.
Inmiddels schijnt er een kabinetsformatie gaande te zijn. Het ligt niet
alleen aan het CDA dat dat langzamerhand een lachwekkende
vertoning is. Andere partijen kunnen er ook wat van, maar VVD en
D66 mocht ik toch al niet!
Zoals gezegd, ooit was ik lid van het CDA, en ik draag de partij nog
steeds een warm hart toe. Maar het wordt me daarbij vanuit Den
Haag niet echt gemakkelijk gemaakt.

De ironie van de vrouw?
(10 juli 2021)

Ooit schreef ik een column met als titel ‘De vrouw moet zwijgen’. Het
was in 2005. Een verzamelbundel kreeg dezelfde titel. Het werd een
best aardig verkocht boek. Veel mannen kochten het als een
presentje voor hun echtgenote, maar ook op een ontmoetingsdag van
Passage gingen er enkele tientallen over tafel.
Het ging over een tekst van Paulus die bijvoorbeeld over vrouwen
zegt dat “ze ondergeschikt moeten blijven” en “als ze iets willen leren,
moeten ze het thuis aan hun man vragen.” Het zal duidelijk zijn dat de
titel ironisch bedoeld was. Het stukje was geschreven om mijn
ergernis over bepaalde vrouwen kwijt te kunnen. Ook kwam de SGP
langs waarbij ik me afvroeg en nog steeds afvraag waarom andere
partijen zich zo druk maken dat SGP-vrouwen zich stil houden. Ze
houden zich braaf en blijkbaar vrijwillig aan Paulus’ voorschriften. Ik
kom nog uit de tijd dat je op je kop kreeg als je beweerde dat “wij
tegenwoordig meer weten dan Paulus.” En dat is toch echt zo, want
hij wist, om maar een simpel voorbeeld te nemen, nog niet eens wat
een fiets was…
Overigens was er ook commentaar op de titel: er zijn nog altijd
mensen die het fenomeen ironie niet kennen en zich opwinden over
alles waar ze het niet mee eens zijn, of denken te zijn. Voor hen goed
te weten dat ik helemaal niet vind dat vrouwen moeten zwijgen.
Daarvoor ben ik een veel te groot liefhebber van de soort!
Ik kreeg ook eens kritiek op mijn opmerking in een column dat wij als
mensen de aarde regeren. Ik kreeg te horen, dat ik vond dat wij de
baas over de schepping zijn. Dat vind ik niet, hoewel in Genesis wel
behoorlijk die indruk wordt gewekt, met de mens als de kroon op de
schepping. Maar wij spélen wel dat we de baas zijn. Wij bepalen
welke diersoorten beschermd zijn en welke niet, passen onze
bouwplannen aan als er een vleermuizengezinnetje op de bouwplaats
woont, en zorgen dat de korenwolf in Limburg niet uitsterft. Daarnaast
leggen we, behalve in Friesland, de rode loper uit voor de echte wolf.
Benieuwd hoe het zou aflopen als de schepping het zelf zou
organiseren, als wolf en korenwolf het samen moesten uitvechten! En
hebben wij als mensheid er niet voor gezorgd dat het klimaat
verandert en zijn we ook niet weer wanhopig bezig als mensheid om
te proberen dat ongedaan te maken? Met alle problemen van dien. In
de IJstijd ging dat heel anders. Niemand bemoeide zich er mee. Dat
de dinosaurus is uitgestorven is niet ónze schuld!
Er was weer opwinding in de Tweede Kamer. Niet over de schepping
of het klimaatprobleem, maar over een politica, die zich drie jaar lang
door een cameraploeg had laten volgen, vast niet uit bescheidenheid.
Op een gegeven moment zit ze achter in haar dienstauto zonder
gordel om. In het hedendaagse Nederland schijnt dat een groot
vergrijp te zijn, en om te voorkomen dat ze aan een of andere
schandpaal zou worden genageld, is er zelfs geprobeerd een
autogordel in de film te monteren. Dat is niet gelukt, en dat feit, naast
het niet dragen van de gordel zelf, gaf aanleiding tot Kamervragen.
Je zou het ironie kunnen noemen.
In een reactie heeft mevrouw Kaag, zij was het, verklaard dat ze een
bedrag heeft overgemaakt aan Veilig Verkeer Nederland. Ze had
beter kunnen zwijgen. Zo’n vrouw neem je toch niet meer serieus?

> COLUMNIST
> STARTPAGINA


De nieuwste column :

> COLUMNIST
> STARTPAGINA

Vakantie
(24 juli 2021)

Het is vakantietijd. Een periode waarnaar veel mensen uitzien. Zeker
in de tijden waarin we nu leven, met een al anderhalf jaar durende
Coronapandemie.
Ik herinner me vakanties waarin ik op het strand via de radio dagelijks
de finish van de Tour de France volgde. Met Steven Rooks en Gert
Jan Theunisse die, beide klimmers, streden om de bolletjestrui. Dit
jaar deed de sympathieke Wout Poels, een uitstekend wielrenner,
maar geen klimmer, hetzelfde. Op de laatste berg van de Pyreneeën
werd hij alsnog uit de trui gereden door alleskunner Pogačar. Jammer.
De afgelopen weken werd de uitzending met de nabeschouwing op de
Touretappe dankzij voetbalwedstrijden met verlengingen en
strafschopseries steeds later uitgezonden, soms zelfs na
middernacht. Het lukte me meestal niet om niet voor die tijd al in slaap
te vallen. Nu het voetbal voorbij was gebeurde dat ook weer, maar nu
door een extra uitzending van Op1 over de wateroverlast in Limburg.
Een wijsneuzig jongetje en zijn vader, die beide niets te melden
hadden, zaten aan tafel, alsmede een vrouw die op vakantie was en
de camping moest verlaten. Ze besloot met haar gezin niet naar huis
te gaan, maar naar een hotel in Valkenburg. Ook daar moesten ze
weg wegens het water en ze had filmpjes gemaakt van hun avonturen
in de laadbak van een shovel. Gelukkig hadden ze ook al eens een
vakantieplek moeten verlaten wegens een grote bosbrand, dus ze
waren er wel op voorbereid. Ik begreep haar niet. Net zomin als ik,
jaren geleden, iets begreep van huilende vakantiegangers wier
vakantie in het water viel door een grote tsunami (we schrijven Kerst
2004) terwijl de bewoners van dat gebied door die ramp letterlijk alles
kwijt waren. De vakantiegangers konden gewoon naar huis, net zoals
die mevrouw in Limburg had kunnen doen.  
Jort Kelder had het een paar keer over de Watersnoodramp van 1952,
waar ik altijd dacht dat het jaartal 1953 in ons collectieve geheugen
gegrift zou staan.
Vakantie is tegenwoordig een soort van heilig recht. Net zoals uitgaan
en feestvieren. De coronamaatregelen werden versoepeld, en De
Jonge met zijn “dansen met Janssen” zorgde er voor dat iedereen
zich als een malle ging uitleven. In de tijd dat de regering strenge
maatregelen afkondigde was het verwijt dat ze te weinig vertrouwen
had in het gezonde verstand van haar burgers. En zo is het nooit
goed. De Tweede Kamer kwam terug van reces en besteedde er weer
een middag en avond aan om het er over te hebben. Het waren in de
meeste gevallen niet de fractievoorzitters, want die waren uiteraard op
vakantie. En Mark Rutte verontschuldigde zich weer voor de
misrekening.
Inmiddels kleurt Nederland rood op de coronakaart en de provincie
Groningen zelfs donkerrood. Als u dit leest zitten we in Friesland.
Nee, dat zeg ik verkeerd, nu ik dit schrijf staan we op het punt die kant
op te gaan, als u dit leest zijn we al weer thuis. Een weekje
Gaasterland met fiets en mooie boeken mee. Ik hoop dat we er in
mogen als Groningers!
Komend weekend eerst nog een kerkdienst begeleiden met cantorij
en veel samenzang door de gemeente. Het kan en mag weer. Tot er
misschien een vierde coronagolf aankomt, met de deltavariant.
Intussen dreigen veel vakanties, vooral naar het buitenland, niet door
te kunnen gaan. Maar dat lijkt me een luxe probleem, vergeleken met
de sores van de mensen in Limburg, met huizen die tot het plafon
hebben volgestaan met water.

Kees Steketee

> COLUMNIST
> STARTPAGINA