recente columns      

> COLUMNIST
> STARTPAGINA

Op deze pagina treft u steeds de meest recente column(s) aan.

Voor de columns van de afgelopen twee jaar:
Zo lust ik er nog wel een

Lijsttrekker
(4 juli 2020)

Het is alweer een tijdje geleden. Job Cohen stond in de startblokken
om de PvdA lijst te gaan trekken. Op een vraag van Twan Huys wat
een halfje gesneden wit kost en hoeveel hypotheekrente we met zijn
allen aftrekken moest hij tot zijn schande het antwoord schuldig
blijven.
Toen vier jaar later Martijn van Dam de PvdA wilde gaan aanvoeren
had hij de prijs van het brood en de hoogte van de hypotheekschuld
even opgezocht en antwoordde grijnzend op de vragen daarover die
Matthijs van Nieuwkerk hem stelde. Een goeie grap. Vervolgens
maakte Matthijs zich kwaad dat zo’n politicus zich verlaagt tot het zich
voorbereiden op dergelijke vragen…
Ik zag het fragment, toevallig, terug bij een interview met Van
Nieuwkerk, die het achteraf niet zijn sterkste optreden vond. Ik had
ingeschakeld om alweer een nieuwe kandidaat lijsttrekker te zien. Niet
voor D66. Dat heeft Sigrid Kaag, en die torent zo hoog boven alles en
iedereen in D66 uit, door haar stijl, haar ervaring, haar eloquentie én
haar geslacht dat ze geen concurrentie krijgt. Ook bij de SP, de SGP
en de ChristenUnie is het al duidelijk.
Bij het CDA moet er nog gekozen worden. Het zou gaan tussen de
ministers Hoekstra en De Jonge. Maar Hoekstra doet niet mee. Hij
vindt zichzelf meer een bestuurder dan een politicus. Dat kan. Het
kwam hem op het verwijt te staan dat hij minachting heeft voor de
Tweede Kamer. Dat snap ik dan weer niet. Ik ken heel veel mensen
die voor heel veel dingen geschikt zijn, maar nou net niet voor het
Kamerlidmaatschap.
Hugo de Jonge is wel en van harte beschikbaar. Hij kreeg al snel
concurrentie van Mona Keijzer, Volendamse, en iemand die geen
probleem zou hebben met samenwerking met Forum voor Democratie
van Baudet. Beiden deelden desgevraagd mee ook beschikbaar te
zijn voor het premierschap voor het geval het CDA de grootste partij
zou worden.
Vervolgens diende kamerlid Helvert zich nog aan. De man komt uit
Limburg en het kost me altijd veel moeite om hem te verstaan. Maar
misschien mag ik dat wel niet zeggen in deze tijd waarin we vooral
niemand moeten dreigen te kwetsen. En misschien verstaat hij wel
weer geen knauwende Groninger, en misschien mag ik dat ook wel
niet zeggen, dat ‘knauwende’…
Op de valreep stelde ook Pieter Omtzigt zich nog beschikbaar. Ooit
onverkiesbaar, maar met voorkeurstemmen toen toch gekozen en
thans prominent CDA-kamerlid dat zich profileert bij alle
onverkwikkelijke zaken die de belastingdienst de laatste tijd zo in het
nieuws brengen.
Hij zat dus in die talkshow en ook hem werd gevraagd of hij
beschikbaar was als premier. Hij schutterde wat en vond de vraag
irrelevant want uitgaande van de peilingen had het CDA nog minimaal
een stuk of vijftien zetels nodig om in de buurt van de grootste partij te
geraken. En ze vragen Segers toch ook niet of hij minister-president
zou willen zijn.
Het werd Omtzigt kwalijk genomen door de presentator: “Als je
lijsttrekker wilt worden zul je toch ook aan allerlei politieke spelletjes
mee moeten doen…” Dat vond Omtzigt niet. En juist dáárom lijkt hij
mij de perfecte lijsttrekker voor het CDA. Hij kan dan straks als
fractievoorzitter vanuit de Tweede Kamer (want we kiezen in maart
een nieuwe Tweede Kamer, niet een kabinet!) de regering
controleren. Hetzij met premier Rutte, dan wel Kaag, dan wel
Hoekstra of De Jonge. Als regeringspartij of vanuit de oppositie. Op
de inhoud. En zonder spelletjes!

Excuses
(18 juli 2020)

“Zijn bloed kome over ons en onze kinderen,” riepen de Joden,
volgens Mattheus, naar Pilatus toen die niet goed wist wat hij met
Jezus aan moest en hem niet durfde te laten kruisigen. Ze kenden de
wet. In de Tien geboden gaat het over het ‘derde en vierde geslacht
van hen die mij haten’. Je kan dus zomaar worden aangesproken op
de daden van je overgrootvader.
Toen ik jong was lagen de wreedheden van de Tweede wereldoorlog
voor de generatie van onze ouders nog vers in het geheugen. Op
Schouwen-Duiveland, waar we toen woonden, kwamen in die tijd al
weer steeds meer Duitse toeristen. Ik hoorde nog regelmatig het
woord ‘moffen’ langs komen. En ‘geef me mijn fiets terug’. “En bij de
veerpont bij Zijpe proberen ze altijd voor te dringen!” Je kreeg als
vanzelf, ook als kind, een soort afkeer van onze oosterburen.
Maar niet alleen Duitsers kwam je tegen. We moesten als
Nederlanders ook weer met elkaar samenleven. Verzetshelden met
NSB’ers in hetzelfde dorp. Dat viel niet mee. Intussen zijn we een
halve eeuw verder. Het gebeurt nog wel eens, en je kan er ook niet
onderuit als je je plaatselijke geschiedenis kent, dat je iemand
tegenkomt waarvan je weet: zijn vader was fout in de oorlog. En
hoewel je het niet wil, denk je daar dan toch wel weer aan.
Toch is het niet zo dat we aan de kinderen en kleinkinderen van
NSB’ers nu vragen om spijt te betuigen over de daden van hun opa’s.
Of berouw te tonen of excuses te maken. Sterker nog: mensen die
anderen hun oorlogsverleden blijven nadragen wordt dat vooral
kwalijk genomen. Deze generatie kan er immers niets aan doen, de
oorlog is voorbij, we moeten weer verder!
Ook, dat is weer een ander verhaal, toen Máxima naar Nederland
kwam vonden we dat haar vader maar beter kon wegblijven, maar we
vonden ook dat we háár niet kwalijk mochten nemen wat híj op zijn
geweten had.
In dat licht vind ik het verbazend dat er in het debat in de Tweede
Kamer over racisme door sommige partijen zo ontzettend werd
gehamerd op excuses voor ons slavernijverleden. De regering had al
spijt betuigd, en het slavernijverleden betreurd, maar dat is niet
genoeg volgens sommigen.
Premier Rutte merkte op dat we ook de Spanjaarden niet vragen om
aan ons excuses te maken voor de Tachtigjarige oorlog. Wat we dan
weer wel doen is onze eigen voormannen uit die tijd de maat nemen,
en standbeelden van vermeende helden bekladden dan wel
neerhalen. Zelfs Ghandi bleek een racist en ook Churchill moest het
ontgelden.
We waren met vakantie in Engeland, en bezochten de kathedraal in
Exeter. Een prachtige kerk. We werden rondgeleid door een
enthousiaste kerkvoogd. Voor hij begon aan zijn verhaal vroeg hij of
het in het Engels kon. Wat ons betreft, de enige Nederlanders in het
gezelschap, kon dat wel. Als we Duitsers waren geweest had hij ook
een Duitstalige versie paraat gehad. Het was een enthousiast
verteller. Toen we aangekomen waren bij de kansel toonde hij ons het
houtsnijwerk. Daarin zat ook een afbeelding van Bonifatius. Hij
vertelde over diens zendingswerk en zijn noodlottig einde in Dokkum.
“And they’ve killed him!” riep hij uit terwijl hij grijnzend naar ons wees.
Dat was in 754, 1200 jaar voor mijn geboorte, dus ik voelde me niet
schuldig. Maar het kwam wel even hard aan…

Loftrompet
(1 augustus 2020)


Een bijzonder lied. Ik herinner me dat de Community Singers uit
Groningen, een gigantisch jeugdkoor onder leiding van Chris van
Bruggen, het zongen op een aanstekelijke melodie. Toen ik het later
in het Liedboek (1973) tegenkwam, vond ik die melodie een stuk
minder mooi. En na een paar coupletten begint hij me altijd te
vervelen. Wisselzang, mannen, vrouwen, koor, kan dan een oplossing
zijn. Meestal zingen we het, als het al een keer op de liturgie staat,
dan ook niet helemaal.
Willem Barnard (1920-2010) schreef het naar aanleiding van een
oude Engelse hymne, op een al even Engelse volksmelodie. Zo
kennen we het, als gezang 737, nog: ‘Jeruzalem, mijn vaderstad’. Ik
vond ‘engelen op een rij als vogels in een boom’ een bijzondere regel,
en ‘Luther die zingt als een zwaan’, en ‘Bach die de hele dag de maat
mag slaan’, en ik ervaar vreemde klemtonen bij Siméon en Davíd.
En dan heb je het couplet over de ‘negers met hun loftrompet’
(misschien bedoelde Barnard wel Louis Armstrong, Satchmo?) en ‘de
joden met hun ster’. Je kon er op wachten dat iemand zou bedenken
dat dit toch wel heel discriminerende regels zijn.
Dat gebeurde al eens in 2016. Er was toen een remonstrantse
voorganger die zich er over opwond en ik las het verhaal van een
koordirigente. Zij ontdekte het toen ze het lied met haar koor ging
zingen op het moment dat de muziek op haar lessenaar stond. Die
had zich lekker voorbereid op de repetitie, vond ik toen. Je bekijkt toch
thuis van tevoren even wat je met je koor ´s avonds gaat zingen. Ik
zou overigens niets liever doen dezer dagen dan mij voorbereiden op
de koorrepetitie, maar dat zit er nog steeds niet in met die
vermaledijde corona.
Terug naar Barnard, die in zijn jonge jaren dichtte onder het
pseudoniem Guillaume van der Graft. Hij sprak altijd graag over ‘de
dienst van het lied’. Die dienst beoefenen we ‘samen’, in tegenstellig
tot de ‘verbi divini minister’, de bedienaar van het woord, die het vaak
solo doet. Het gezamenlijke, het verlangen, met zijn allen, naar
Jeruzalem, las hij in het oorspronkelijke, laatmiddeleeuwse
‘Hierusalem my happie home’. En hij zag er ook het nieuwe
Jeruzalem uit Openbaring 21 en 22 in.
In zijn eigen hertaling voegde hij de coupletten 18, 19 en 20 toe met
Luther en Bach, (in de Middeleeuwen waren ze er nog niet,) bij uitstek
vertegenwoordigers van de kerkmuziek!
Als hij in couplet 19 de ‘negers met hun loftrompet’ noemt en de
‘joden met hun ster’ wil hij natuurlijk verwoorden dat er in het nieuwe
Jeruzalem een einde komt aan discriminatie, aan antisemitisme. Daar
zal alles goed zijn! Ook niemand meer arm, niemand meer achterop
gezet. Maar dan moet je het wel in zijn context willen zien. Dan moet
je het hele lied zingen of lezen, alle 21 coupletten. En ja, inderdaad,
de dingen worden bij hun naam genoemd. Geen blad voor de mond.
Ik heb trouwens de ervaring dat we, waarschijnlijk daarom, sowieso
die negers en die joden altijd al overslaan. Maar ze staan er wel.
Overigens schijnt er contact te zijn met de erven Barnard over een
hertaling van het lied, ik neem aan alleen van de gewraakte
coupletten. Die wordt dan via de website van het Liedboek verspreid
en kan in een volgende herdruk worden opgenomen. Alsof je als
kerklid om de zoveel tijd je liedboek zou inruilen voor een nieuw
exemplaar…

Zingen
(15 augustus 2020)

De agenda was leeg. De laatste keer dat ik in den vreemde
orgelspeelde was bij een begrafenis waarbij men wel een kerk had
besproken maar geen organist. Daar kwamen ze pas heel laat achter.
De familie was ervan uitgegaan dat bij het reserveren van de kerk ook
automatisch de organist was inbegrepen. Als je een taxi bestelt zit
daar toch ook altijd een chauffeur in…
De week daarna barstte corona los. Geen cantorij, geen kerkdiensten,
en alle koorbegeleidingen en andere orgelactiviteiten lagen opeens
stil. Ik troostte me met de gedachte dat na de zomer alles weer
anders zou worden. Maar inmiddels worden ook afspraken tot in
november al geannuleerd.
We gaan wel weer wekelijks ter kerke. Maar we zingen niet. Dat lijkt
me ook verstandig zolang de meningen van de deskundigen over een
eventueel besmettingsgevaar zijn verdeeld.
Er verschijnen filmpjes van mensen die tegen een kaars praten,
waarop die kaars prompt uitdooft. Vervolgens gaan ze tegen diezelfde
kaars zingen en dan blijft hij branden. De zanger beperkt zich dan
overigens tot wat melodieën op alleen een klinker. Als hij de kaars
toespreekt is een enkele duidelijke ‘p’ voldoende om de vlam te
doven.
Toen ik ooit zangles had ging het over een ‘zanglijn’ en ‘je tonen de
ruimte in zingen’. Mijn zanglerares vroeg me met mijn bronzen bariton
elke noot die ik zong in gedachten neer te leggen op de piano die een
meter of vijf bij me vandaan stond. Braaf deed ik wat ze vroeg.
Gedurende het zingen bekroop me het gevoel dat ik met iets heel
vreemds bezig was. Wat een flauwekul, dacht ik, en ik hield op me te
concentreren op die piano. Gelijk riep ze me tot de orde: “Ho, ho, naar
de piano toe zingen, hou vol…”
Het was dus misschien toch niet helemaal onzin, en de conclusie zou
kunnen zijn dat zingen met name gevaarlijk is als je het goed doet, als
je inderdaad je adem vijf meter voor je uit stuurt.
We zingen dus in veel kerken niet. De organist speelt de liederen en
de kerkganger kan meelezen. Sommige organisten spelen alsof de
mensen wél meezingen, compleet met voorspel en daarna nog zo’n
toontje vooraf ook! 
Ik probeer meestal te parafraseren, te omspelen, een improvisatie te
bouwen, in ieder geval meer te doen dan domweg het koraal af te
draaien. Dat vraagt nogal wat meer voorbereiding dan een
ouderwetse dienst met samenzang, maar het is mooi om te doen. En
een uitdaging om van een nikserig versje iets moois te maken!
Na de dienst spreek ik wel mensen die het boeiend vinden om mee te
lezen en te horen waar de melodie nou weer langs komt.
Ik hoor ook wel eens iemand die het zingen zo mist. En dan wordt er
voorgesteld om met een paar mensen te gaan zingen. Hier en daar
doet men dat ook. Ik ben daar niet voor. Ik heb op deze plaats al
vaker betoogd dat samenzang iets is om samen te doen. Met zijn
allen. Het is ook niet in de eerste plaats bedoeld om naar te luisteren,
maar om te beleven.
Als twee of drie mensen zingen geldt alleen voor die twee of drie dat
ze het zingen even niet missen. Voor de anderen maakt het niks uit…
En ik ben wel zo eigenwijs te veronderstellen dat het boeiender is om
naar een zorgvuldige improvisatie te luisteren dan naar een stuk of
wat coupletten duozang van een paar gemeenteleden.

Ambtelijke molens
(29 augustus 2020)

Ambtelijke molens malen niet snel. Het is een uitdrukking. Als kind
ergerde ik me daar aan. Pa ging elke dag naar het gemeentehuis en
zat ook ‘s avonds en in het weekend vaak achter zijn bureau te
werken aan begrotingen en jaarrekeningen van andere gemeentes.
En als muziekschoolmedewerker was ik ook zelf mijn hele werkzame
leven ambtenaar.
In de tijd dat onze generatie kinderen kreeg was het nog vaak de
gewoonte dat de jonge moeder stopte met werken. En als ze wel weer
aan de slag ging was dat meestal in deeltijd. Niet iedereen heeft opa’s
en oma’s die niets liever doen dan de kleinkinderen entertainen. En
als je de hele week full time vooral aan het werk bent om de kosten
van de kinderopvang te verdienen voelt dat toch een beetje als het
achter de wagen spannen van het paard. Veel vaders en moeders
verdelen daarom de lasten. Vader werkt vier dagen, moeder drie
dagen, en als je dat een beetje handig verdeelt hoeft je zoon niet elke
dag naar de kinderopvang.
Er kwamen subsidies. Kinderopvangtoeslag.. We vonden het met zijn
allen belangrijk dat iedereen die dat wilde aan het werk kon blijven.
Maar zoals bekend ging er iets mis. Er werd hier en daar fraude
gepleegd. Oma zorgde gratis voor de kleinkinderen en moeder streek
de toeslag op. Zoiets. Vervolgens ging de belastingdienst er van uit
dat veel jonge ouders dat wel zouden doen en vorderde betaalde
toeslagen terug.
Maar als dan blijkt dat ze daarin te ver zijn gegaan en er speciaal een
nieuwe staatssecretaris aantreedt om het netjes te regelen snap ik
niet waarom dat dan ook niet gebeurt. Het is toch warempel niet zo
ingewikkeld om boekhoudingen te controleren. Wat me overigens
verbaasde is de grootte van de betaalde bedragen. Vele
tienduizenden euro’s. Als je dat moet terugbetalen is dat uiteraard
nogal problematisch. Je kreeg die toeslag nou juist omdat je niet de
middelen had om zelf die opvang te bekostigen. Je hebt dan dus geen
tienduizenden euro’s op je spaarbankboekje staan.
Mevrouw van Huffelen gaat het oplossen. Ze “bevestigde dat er met
veertig gevallen een start wordt gemaakt om vervolgens te leren van
de ervaringen die daarbij worden opgedaan. In de tussentijd gaat de
aandacht vooral uit naar het werven van personeel voor de uitvoering,
en het bepalen binnen welke kaders de schadevergoedingen moeten
blijven.” Ik las het in de krant, en mijn mond viel open. Juist vanwege
deze opvangtoeslagproblematiek zijn er twee staatssecretarissen van
financiën. Dan moet zo’n probleem toch op te lossen zijn, en dan zou
ze toch al verder moeten zijn dan de denkfase? Klopt het dan toch
van die ambtelijke molens?
Net zoiets is het geval met de 1000 euro bonus voor het
zorgpersoneel. In maart nam de Tweede Kamer de motie aan waarin
tot die bonus werd besloten. Die motie was ingediend door Femke
Merel-Van Kooten, van wie niemand meer weet wie of wat ze
vertegenwoordigt, maar dit had ze toch maar mooi voor elkaar
gekregen! Afgelopen week tijdens het Kamerdebat werd op haar
vraag daarnaar meegedeeld dat het bedrag waarschijnlijk in januari
2021, als het erg meezit misschien nog net eind december, wordt
uitgekeerd. Een bevalling van negen maanden voor een tamelijk
overzichtelijke actie.
Voor de problemen met de kinderopvangtoeslag had Renske Leijten
van de SP wel een oplossing: doe mij tien ambtenaren en ik regel het.
Het lijkt me een prima idee, al zou ik geen ambtenaren nemen!

Corona-proof
(12 september 2020)

Het gaat op heel verschillende manieren.
De een pakt gewoon zijn winkelwagentje, doet zijn boodschappen en
gaat weer naar huis. De ander poetst eerst met een doekje de
handvaten van het karretje schoon en schuifelt door de supermarkt
met angstvallige blikken om zich heen of hij niet te dicht in de buurt
van andere winkelende mensen of personeel van de zaak komt. Ik
betaal altijd met de pin, maar soms heb ik zoveel nodig dat het niet
contactloos kan. Met angst en beven toets ik dan mijn pincode in, een
enkele keer met gebruikmaking van een sleutel, maar als ik dat doe
zie ik mezelf bezig en geneer ik me haast voor mijn omzichtigheid.
Bij ons in de kerk houden we anderhalve meter afstand. In principe.
Want iedereen weet dat dat niet echt honderd procent is vol te
houden. Ons gangpad is nauwelijks anderhalve meter, en we gaan,
alweer in principe, om de beurt naar binnen en buiten, maar soms kan
het gewoon niet anders dan dat je elkaar even moet passeren.
Ik was bij een huwelijksvoltrekking. De geplande festiviteiten, een
diner met aansluitend een groot feest, waren aangepast. Het feest
was iets minder groot. Na het huwelijk was er champagne, we
dronken koffie, een borrel, en we genoten van een buffet. Het feest
was corona-proof, zou je kunnen zeggen. Het feliciteren ging niet met
omhelzingen, handenschudden of kussen, maar met al dan niet
elegante buigingen. Om het toch iets persoonlijker te maken toostten
we met onze champagneglazen. Toen we ons realiseerden dat we
met de randen van elkaars glazen indirect ook elkaar raakten werd er
getoost met de bolle onderkant van het glas. Je wordt nog creatief van
die corona!
De huwelijksvoltrekking zelf ging, zoals de ambtenaar aankondigde,
ook geheel volgens de coronaregels. Toen de huwelijksakte moest
worden ondertekend werd de balpen waarmee dat moest gebeuren
na elke gezette handtekening afgeveegd met een doekje. Het deed
me denken aan de voorganger die na elke slok wijn de rand van de
beker afveegt, waarbij ik me steeds afvraag of dat, ná de eerste keer,
nog wel zin heeft. En natuurlijk kunnen we ook niet meer een stuk
brood ronddelen, waarbij iedereen daar een stukje afbreekt en aan
zijn buurman geeft. Als organist ben ik, zowel met het brood als de
wijn, altijd de laatste die wat krijgt. Met de coronakennis van nu is dat
eigenlijk een huiveringwekkend idee, en dat zal het, als er ooit een tijd
van ná de corona komt, ook wel blijven.
Ik vraag me ook altijd af wat er over blijft van die anderhalve meter bij
allerlei televisieprogramma’s waar iedereen zo braaf op afstand zit.
We zien niet wat er gebeurt als de camera’s niet draaien. Ik vind ook
altijd dat poetsen van de microfoons in de Tweede Kamer een beetje
een potsierlijk gezicht. Deze week zag ik het weer gebeuren, terwijl ik
met plaatsvervangende schaamte zat te kijken hoe de
verkiezingscampagne was begonnen. Waarmee ik niet wil zeggen dat
Grapperhaus vrijuit gaat. “Wie zonder zonden is,” zei Van der Staaij,
en zo is dat!
Tijdens de huwelijksceremonie waarvan wijzelf getuige waren, wat
Gera betreft zelfs letterlijk, bleek de ruimte niet groot genoeg om
anderhalve meter afstand te houden. Manmoedig zaten we naast
elkaar, enigszins onopvallend proberend om niet te veel naar links en
rechts uit te ademen. Gelukkig lagen er geen paparazzi in de bosjes…

Preekconsent en meer
(26 september 2020)

“Het telt niet, want hij is geen echte dominee!” Het is alweer een hele
tijd geleden dat ik het meemaakte dat een mevrouw dat zei. Het ging
over de zegen, aan het eind van de dienst uitgesproken door de
pastoraal werker. Volgens haar mocht hij dat niet doen. Een zegen die
niet telt. Het deed me denken aan de zegen van Izak voor Jakob. Ik
vroeg me af of zo’n op slinkse wijze verkregen zegen wél zou moeten
tellen, en ik vond het ook flauw dat er voor Ezau niks meer overbleef.
Kerkelijke regels, daar wil ik het over hebben. Zoals over het woord
preekconsent. In de tijd dat mijn vader scriba was en hij ervoor zorgde
dat er elke week een predikant op de kansel stond kwam het woord
nog wel eens langs. Want om te mogen preken in de gereformeerde
kerk had je wel een preekconsent nodig. De dominees die hij
uitnodigde waren geen probleem maar bij ‘lerende ouderlingen’ en
mensen met ‘singuliere gaven’ (ook zulke belegen termen) moest je
wel zeker weten of ze mochten preken. Zo’n consent kregen ze
trouwens vaak nadat ze voor een classisvergadering, een gremium
(we zijn nou toch bezig!) met vooral veel ouderlingen, gewone
kerkenraadsleden dus, een preek hadden moeten houden, die die
vergadering dan beoordeelde.
Als je geen dominee was, maar wel preekconsent had, mocht je wel
preken, maar geen sacramenten bedienen. Avondmaal vieren en
dopen was er niet bij. En volgens die mevrouw de zegen geven dus
ook niet!
Tegenwoordig doen we niet meer zo moeilijk. Ik ken kerken waar
gemeenteleden de preek houden terwijl de predikant als kerkganger
in de kerk zit. Ik zou daar als dominee slecht tegen kunnen. Ik vind het
ook niet echt prettig om in een gewone kerkbank te zitten terwijl
iemand anders het orgel bespeelt.
Nog meer regels: Toen we onze dochter wilden laten dopen kon dat
niet direct. We hadden nog geen belijdenis gedaan. En dat was wel
een voorwaarde. Soms heeft een van beide ouders dat al wel gedaan,
en kan de ander er voor kiezen te verklaren dat hij niet zal dwars
liggen bij de christelijke opvoeding.
We hebben toen een spoedcursus gehad, en op een zondag, exact
vier maanden na haar geboorte, deden we belijdenis en werd ze
gedoopt. Door een echte dominee, met zo’n echte domineesstem: “Ik
doop je in de naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen
Geestes!” Ik weet niet meer of de gemeente ook gevraagd werd om
ons te steunen bij die christelijke opvoeding met een plechtig “Ja, dat
beloven wij!” Dat zou best kunnen.
Overigens zijn tijdens de doop van onze dochter geen foto’s gemaakt,
en er werd zeker niet gefilmd. Bij een Amerikaanse priester was dat
ooit wel gebeurd. Maar hij was nogal geschrokken toen hij het filmpje
terugkeek. “Wij dopen je…” (eerste persoon meervoud), zei de
voorganger. Juist vorige maand verklaarde de Katholieke kerk dat een
doop alleen geldig is als er ‘ik’ wordt gezegd, enkelvoud. De
voorganger vertegenwoordigt Christus, en verder niemand. De
Amerikaanse priester heeft zich laten overdopen, en is zelfs opnieuw
tot priester gewijd. Want ook zijn eerste wijding telde dus niet meer!
Ze zijn nu druk bezig om iedereen op te sporen die door hem gedoopt
is, of getrouwd, of gezegend, of wat dan ook. Een soort corona-achtig
contactonderzoek. Alles moet opnieuw gedaan worden. Want achteraf
telt het allemaal niet…

Als er twee of drie
(10 oktober 2020)

Het stond op een elpee van een Nijmeegs jeugdkoor, begeleid door
het trio van Louis van Dijk: Als er twee of drie in Mijn naam bijeen zijn
/ ben Ik in hun midden / want Ik doe altijd mee / met drie desnoods
met twee / wil ik altijd opnieuw beginnen… Ik vond het een mooi lied
en het klonk grappig met die zachte Nijmeegse g.
De tekst komt nog wel eens langs als het gaat over kerken en
kerkbezoek, zeker als dat minder wordt. Het gaat niet om de
kwantiteit, maar om de kwaliteit! De kerken hoeven niet vol te zitten
met allemaal brave mensen die uit gewoonte ter kerke gaan; je hebt
meer aan kerkleden die uit overtuiging op zondagmorgen naar Gods
huis gaan.
Overigens gebruikten mijn ouders juist altijd het argument dat Jezus
‘uit gewoonte’ naar de synagoge ging. (Lucas 4,16) Als we geen zin
hadden, (wat nog wel eens gebeurde, zeker als het een middagdienst
was met een catechismuspreek, een uitleg over de uitleg, vond ik
altijd,) moesten we maar zin maken, of zoiets.
Ik was vroeger een gelovig jongetje. Ik herinner me pittige discussies
over het avondmaal. Over de wijn, en dat er mensen waren die liever
uit een apart bekertje dronken. Ik kon me niet voorstellen dat, als wij
met het Avondmaal het lijden en sterven van Christus herdachten, de
Here Jezus ons zou straffen door ons ziek te maken als we uit één
beker dronken. We waren toch juist heel goed met Hem bezig?
We leven in coronatijden. Avondmaal vieren we niet meer. Er worden
ons allerlei beperkingen opgelegd. Er zijn lieden, influencers noemen
we ze, die daaraan niet meer mee willen doen, maar na een
gesprekje bij Jinek of Op1 net zo makkelijk besluiten om samen met
Diederik Grommers (de IC-voorzitter) op pad te gaan om scholieren te
vertellen over de gevaren van corona, “en om hun vragen te
beantwoorden”. Famke Louise is opeens deskundig geworden!
Intussen mogen we met niet meer dan dertig mensen samenkomen.
Wegens onze vrijheid van godsdienst wordt er voor kerken een
uitzondering gemaakt. Want kennelijk is twee of drie (of zelfs dertig!)
toch niet genoeg om je godsdienst overtuigend te kunnen uitoefenen.
Je mag naar het gemeentehuis niet meer dan vier mensen
meenemen als je gaat trouwen, maar bij de kerkelijke bevestiging
maakt het niet uit. Er zijn al cabaretiers die opperden om hun
voorstelling dan ook maar in de kerk te gaan spelen.
Zingen wordt ook, nog steeds, of misschien beter: weer, ten strengst
afgeraden. Ik las in de krant van een kerk waar ze per dienst
‘maximaal één lied’ zingen. Ik vraag me dan af of het virus dat dan
niet door heeft, en zich tijdens dat lied zit te verkneukelen, en denkt
van, lekker, straks, bij het tweede lied, zal ik mij eens door de kerk
verspreiden. En, jammer, dan komt er geen tweede lied.
Met onze cantorij zingen we weer voorzichtig. Op anderhalve meter
van elkaar gebruiken we heel de kerk. Het laatste lied, de prachtige
zegen van Rutter, begeleidde ik vorige week boven, op het orgel. We
leken net 25 zingende kerkgangers... De vraag is hoe verstandig het
is om met een koor te repeteren. Zingen met een mondkapje lijkt me
geen optie. In kleine groepjes ook niet. Want bij twee of drie is de
Heer misschien wel in ons midden, maar vierstemmig zingen wordt
dan wel heel lastig…

Muziek maken
(24 oktober 2020)

Soms word je door de actualiteit ingehaald. Zeker als je in een krant
schrijft die eens in de veertien dagen verschijnt. De zondag dat ik mijn
vorige column inleverde (4 oktober) was ik daar vrij vroeg mee, omdat
ik ‘s middags mee speelde met een Bachcantate in Leeuwarden. Met
een koor van 14 mensen, live gestreamd en zonder kerkgangers.
Daar hoorde ik dat ze het in Staphorst  anders deden. Twee of drie in
mijn naam is daar veel te weinig! Zeshonderd mensen, en lekker
zingen!
Van zingen word je muzikaal (vooral in een koor, in de
middenstemmen, zei Schumann), en, zoals elke muzikant weet, word
je van muziek maken ook nog eens intelligenter, socialer en
aantrekkelijker. Dat is onderzocht en de resultaten van dat onderzoek
worden vaak gebruikt om scholen er van te doordringen dat er
muziekonderwijs moet worden gegeven, net zoals mensen pleiten
voor vakleerkrachten gymnastiek om te zorgen dat de jeugd in
beweging blijft.
Ik had collega’s die daar niet blij van werden. Muziek studeren omdat
je daar slimmer van wordt…? Muziek zelf is interessant en boeiend
genoeg om je in te verdiepen, en als dat goed is voor de ontwikkeling
van je verstand is dat mooi meegenomen, maar het is een ontkenning
van de grote waarde van het vak als je het beoefent als smoes om
beter te worden in wiskunde.
Ik vond die collega, als ze zo fulmineerde er niet aantrekkelijker op
worden, en zo weerlegde ze ongewild ook nog eens de stelling.
Ze werd ook zo kwaad als leerlingen langs kwamen (vooral
volwassenen hebben dat…) die tegen haar zeiden dat ze het wel
handig vonden een soort stok achter de deur te hebben. Elke week
als je naar les gaat moet je toch iets gedaan hebben aan die muziek.
Als dat niet hoeft, blijft het er al gauw bij. De pianojuf als niet meer
dan een stok achter de deur. Ze vond het beledigend, en ik snap haar
wel.
Ik heb nooit muziek gemaakt om beter in andere vakken te worden. Ik
deed het in eerste instantie omdat ik het mooi vond, en omdat er bij
de AMV-lessen een paar leuke meisjes zaten, en ik vond van jongs af
aan een orgel een uitermate boeiende machinerie. Van het een kwam
het ander, en voor je het weet ben je je hele leven met muziek bezig.
Als ik muziek maak heeft dat een doel. Er moet zondag gespeeld
worden, dingen worden voorbereid, en sinds we niet meer zingen is
dat meer dan gewoon een psalm of gezang afdraaien. Ik probeer er
wat van te maken, soms met sopraansax of sopraanstem, soms met
beide. En dan ben je zomaar een paar dagen bezig met je
voorbereidingen. Voor maximaal dertig kerkgangers. Ik ken
muzikanten die dat vertikken!
Ook met de cantorij, waarvan ik vorige keer zo enthousiast vertelde
dat die weer was gaan repeteren, hebben we besloten toch nog maar
even te stoppen. Waarom zou je risico lopen door met 25 mensen te
gaan zingen, terwijl je dat alleen maar doet omdat je het leuk vindt?
Op anderhalve meter uit elkaar kun je niet veel aan de koorklank
doen, en er is ook niet echt iets om naar toe te repeteren. Ik denk niet
dat we dit jaar het Kerstevangelie of, op zondag gaudete, ‘Verblijdt u’
zullen zingen.
Er is eigenlijk helemaal geen stok achter de deur…

Bijbeltaal
(7 november 2020)

Het was in 2004 dat de nieuwe Bijbelvertaling het licht zag. De taal
van 1951 werd vervangen door eigentijds Nederlands. Discipelen
werden leerlingen, ‘ijdelheid der ijdelheden’ werd ‘lucht en leegte’,
Jezus lag zijn eerste aardse levensdagen niet meer in een kribbe
maar in een voederbak, en nog veel meer van die typische
uitdrukkingen, die de tale Kanaäns maakten tot wat ze was,
verdwenen.
Ook zeiden we geen ‘gij’ meer en soms werd dat vervangen door ‘u’,
maar meestal door ‘je’ en ‘jij’. Ik heb het er hier al vaker over gehad,
(misschien wel té vaak, maar dat krijg je met stokpaarden,) maar ik
heb een hekel aan al dat getutoyeer van werkelijk iedereen tegen
iedereen.
Op Radio4 was de Klassieke Top400, een heerlijke tegenhanger van
de populaire Top 2000. De presentator had het warempel ook steeds
over een mooi stuk ‘voor jullie’, en de door ‘jou zelf’ samengestelde
lijst. Ik had niet het idee dat hij het tegen mij had. Maar die Top400
was wel mooi.
Het valt ook altijd direct op, naast onderwerpkeuze en overig
taalgebruik, als je niet met het echte nieuws maar met het
jeugdjournaal te maken hebt. Dan wordt er getutoyeerd. Ja, logisch,
dan heb je het tegen kinderen. Als het menens is, in het nieuws voor
volwassenen, zeggen we ‘u’.
Terug naar de taal uit de Bijbel. Toen die nieuwe Bijbelvertaling in
2004 verscheen werd die gepresenteerd, op 27 oktober, in De Doelen
te Rotterdam, met medewerking van koningin Beatrix. In mijn
herinnering was het zelfs een live televisie uitzending, maar dat kan ik
ook mis hebben. Wat ik nog wel weet is dat ze een stukje voorlas uit
Genesis 1, en sprak over de duisternis die over de ‘overvloed’ lag,
waar dat ‘oervloed’ moest zijn. Óf ze keek er overheen, óf ze kende
het woord niet (net als overigens de spellingcontrole van mijn
Wordversie) en dacht dat er meteen in de eerste alinea van de
splinternieuwe Bijbel al een drukfout stond. In 1951 was het nog
gewoon ‘vloed’, maar dat was zeker ouderwets...
De Bijbelvertaling wordt nu, na 16 jaar, herzien. Daarbij wordt gebruik
gemaakt van opmerkingen en suggesties die lezers konden indienen.
Ik weet niet of die ‘oervloed’ blijft staan. Wat wel verandert, is het
gebruik van hoofdletters voor verwijzingen naar God en Jezus. Die
hadden we altijd gehad, maar waren in 2004 verdwenen. Ze komen
terug. Goed dat je dingen die ooit fout gingen kunt terugdraaien, en
het ook doet!
Al lees ik, vlak voor ik dit verhaal de wereld in stuur, het commentaar
van een theoloog die vindt dat de namen ‘God’ en ‘Heer’, en dan ook
nog ‘Hij’ met een hoofdletter, veel te mannelijk zijn, “alsof er niet
veertig jaar vrouwenstudies zijn geweest en Me-Too.” Hij heeft het
liever over ‘de Ene’. Ik zie eerlijk gezegd het verband niet zo tussen
eerbied voor de Allerhoogste en Me-Too.
Ook in onze liedbundel is de taal in de psalmen en gezangen, die mee
mochten naar het nieuwe boek (in 2013), stiekemweg aangepast aan
onze tijd. Waar altijd teksten stonden als ‘zingt voor de Heer’ of ‘looft
Hem’ is die gebiedende wijs aangepast: ‘zing voor de Heer’, ‘loof
Hem’ (wel met hoofdletter!). Eigenlijk dus van meervoud naar
enkelvoud.
Het lijkt me een mooie stap om bij de eerstvolgende herziening van
het liedboek ook deze fout terug te draaien. Zingt voor de Heer een
nieuw lied! Voor de Ene mag van mij ook. Maar wel met zijn allen!

Reformatorisch
(21 november 2020)

De lagere school die ik bezocht was christelijk. En niet zo’n klein
beetje ook. Als ‘gewone’ gereformeerde was je zo’n beetje de meest
vrijzinnige kerkganger die in ons dorp rondliep. Gereformeerde
Gemeente, Oud Gereformeerd, Gereformeerde Gemeente in
Nederland, ze waren er allemaal, en het hoofd der school was er ook
zo een. Maar het was een handige man. Hij zorgde er persoonlijk voor
dat ook wij ons daar op onze plek voelden. Dat veranderde, jaren
later, na zijn pensioen. Zijn opvolger was niet zo’n verbinder, zwak
gezegd. Geloofsgenoten van ons voelden zich er niet meer thuis en
stuurden hun kinderen naar de openbare school.
Ik weet niet of mijn ouders ooit iets ondertekend hebben. Ik denk het
niet. Wel kan ik me herinneren (en hier en daar is het vast nog steeds
zo) dat je als aankomend onderwijzer, wanneer je aan een christelijke
school wilde worden benoemd, je handtekening moest zetten onder
de Drie Formulieren van Enigheid, die trouwens door zo’n jong
meestertje net zo makkelijk werden aangezien voor de drie-eenheid
Vader, Zoon en Heilige Geest… De handtekening was snel gezet, net
zoals je heel vlot akkoord gaat met algemene voorwaarden als je wat
bestelt of boekt. Niemand leest de kleine lettertjes. Dat vinkje staat er
maar zo!
Er was commotie over Reformatorische scholen. Het schijnt dat
ouders daar verklaringen moeten ondertekenen dat ze een
homoseksuele levenswijze afkeurenswaardig vinden. Ik vond het
verbazingwekkend nieuws. Ik wist dat het een standpunt is in
zwaardere kringen: je mag het wel zijn, maar je mag het niet doen.
Maar dat je als ouders schriftelijk moet vastleggen dat je dat ook vindt,
gaat wel heel erg ver.
Door de vrijheid van onderwijs mag iedereen, die daar een achterban
voor weet te vinden, een school stichten. En zolang de achterban
tevreden is, is er niets aan de hand. Maar als anderen zich er mee
gaan bemoeien krijg je problemen. Dan bots je blijkbaar met artikel
één van de grondwet.
Het is misschien een rare vergelijking, maar niemand is verbaasd dat
je op een voetbalvereniging niet met je handen aan de bal mag zitten.
Het is een voetbalclub. Als je niet van voetballen houdt kun je
natuurlijk ontzettend je best doen om de vereniging om te turnen.
Maar je kan ook gewoon lid worden van een handbalclub. Dat lijkt me
de kortste klap.
Als je als buitenstaander naar een zwaar reformatorische school gaat
moet je niet raar kijken als ze daar anders denken dan jij. En
misschien is het maar goed ook dat ze daar duidelijk in zijn, en voor
hun mening uitkomen.
Dat is nog eens iets anders dan een christelijke school die ongeruste
ouders verzekert, dat “we hier heus niet zo erg  christelijk zijn…” Ze
vieren wel Kerst, maar ook Halloween, en Pasen noemen ze het
voorjaarsfeest. Of een dominee die, tijdens een begrafenisdienst, de
niet-kerkelijke aanwezigen geruststelt: “We gaan nu bidden, maar u
hoeft niet mee te doen. U kunt ook gewoon luisteren…”
Begrijp me goed: Het is natuurlijk belachelijk dat een school zo’n
verklaring voorlegt aan ouders van aspirant-leerlingen, en het is ook
vreemd dat zo’n handtekening kennelijk ook meestal gewoon wordt
gezet. Maar je weet wel direct waar je aan toe bent. En er zijn immers
genoeg andere scholen.
Slob heeft excuses aangeboden. Hij dacht, een beetje onnozel, dat je
als homoseksuele jongere je best veilig kon voelen op een school
waar je geaardheid principieel wordt afgekeurd. Hij snapt nu dat dat
niet zo is.

Regels
(5 december 2020)


Eigenlijk maak je het vanaf het begin van je leven mee. Regels.
Dingen die niet mogen, of dingen die juist moeten. Je mag je
tweelingzusjes niet slaan, en zij jou trouwens ook niet. Als je met
vieze voeten thuis komt moeten de schoenen uit, en sowieso moet je
je voeten vegen. Dat is mij er zo ingepeperd dat ik op elke mat waar ik
langs kom mijn schoenen schoon schraap. Zelfs als ik naar buiten
loop.
Op school golden allerlei regels, over waar de jas op te hangen en
hoe de klas binnen te gaan, niet te schreeuwen, goedemorgen
zeggen tegen meester, en we leerden de verkeersregels over recht
oversteken en richting aangeven met de arm op schouderhoogte, en
we leerden zelfs dat je als je met je fiets wilt gaan stoppen een op een
neer gaande beweging met je linker arm moet maken.
Ik ken me nog herinneren dat de regel werd ingevoerd dat je met de
auto richting moest aangeven als je ging inhalen, en dat er hier en
daar grote verontwaardiging over was. Het was levensgevaarlijk, want
mensen zouden denken dat je linksaf wilde slaan. En het was niet
toegestaan om naar rechts te knipperen als de inhaalmanoeuvre was
afgerond, en later werd het juist weer verplicht om dat te doen.
Kortom, je hebt regels, maar ze veranderen ook zo nu en dan.
Bij voetbal mag je niet met de hand aan de bal komen, maar als je
Maradona heet en ook nog een doelpunt maakt heet het opeens ‘de
hand van God’ en ben je de rest van je leven een legende….
Met Corona hebben we ook volop regels. Handen stuk wassen,
afstand houden, en een mondkapje op. Tussen die laatste regel en de
uitwerking van de wet die het mogelijk maakte het mondkapje echt
verplicht te stellen zat een paar maanden. Mij lijkt dan dat het dus niet
zo heel hard nodig is.
En we mogen niet meer dan twee mensen thuis ontvangen (maar het
kan ook vier zijn, die regel kan ik maar niet onthouden) en in theaters
en andere openbare ruimtes mag je met niet meer dan 30 mensen bij
elkaar komen. Alleen schijnt het in de kerk niet verplicht te zijn om je
aan die regel te houden. Dat heeft met een andere regel te maken,
vrijheid van godsdienst. Je mag ook niet zingen met meer dan twee
mensen, dus ook niet voor een jarige kleinzoon, en zeker niet met een
koor, maar in een kerkdienst mag dat dan weer wél. Maar dat moet
dan dus zonder dat je van tevoren met elkaar kan oefenen. Dat gaat
dan ook niet geweldig gaan klinken, maar dat hoeft ook weer niet
want we hebben vrijheid van godsdienst!
Youp van ’t Hek twijfelt nog over zijn oudejaarsconference. Een
publiek van dertig mensen vindt hij erg weinig. Zeker in een zaal
waarin een mannetje of 2000 past. Hem is al aangeboden een kruis
op het dak van Carré te plaatsen en het voor de gelegenheid een kerk
te noemen. Dan mag alles. Hij kan ook zijn show in een vliegtuig
opvoeren. Daar mag je met 250 man bij elkaar in een kleine ruimte.
Eigenlijk is het niet zo raar als mensen zich niet aan regels houden
die inconsequent, belachelijk, of allebei zijn. Ik heb ook nog nooit
iemand met zijn arm zien wapperen als hij met zijn fiets op de plaats
van bestemming was aangekomen.

Op naar 2021
(19 december 2020)


We organiseerden een reünie van ons koor. Aan de hand van
herinneringen en overzichten van jaarvergaderingen lukte het om een
complete ledenlijst te maken op basis waarvan we iedereen konden
uitnodigen.
Gedurende de voorbereidingen bleek dat we één oud-lid waren
vergeten. Haar zangcarrière bij ons koor had niet lang geduurd, reden
waarom haar naam nergens in het archief voorkwam. Noch bij de
secretaris, noch bij de penningmeester. Omdat ze luid en duidelijk liet
horen dat ze wel degelijk ooit lid was geweest, en het belachelijk vond
dat we haar over het hoofd hadden gezien, kreeg ze alsnog een
uitnodiging, met uiteraard excuses voor de schandalige omissie.
Ik schaamde me. Ze had nota bene aan de wieg gestaan van het
koor. Zij was het die me ooit was komen vragen dirigent te worden,
“want als we een echte nemen wordt dat zo duur…” Hoe kon ik haar
vergeten!
Toen de reünie daar was kwam ze niet opdagen. Toen ze daar op
werd aangesproken zei ze dat ze een ontzettende hekel aan reünies
had. Dat kan ik me trouwens ook nog wel voorstellen, zoals
bijvoorbeeld bij een schoolklas van je ouwe HBS. Als je zelf het idee
hebt dat het leven niet heeft gebracht waar je van droomde is het
tamelijk frustrerend om de succesverhalen aan te moeten horen van
je klasgenoten die het wél gemaakt hebben! Maar bij lekker zingen
met je ouwe koormakkers speelt zoiets toch niet?
Dat koorlid en die reünie doen me denken aan onze nieuwe donorwet.
In plaats van je te melden als donor, moet je tegenwoordig doorgeven
als je géén donor wilt zijn. Ik heb jaren met een donorcodicil in mijn
portemonnee rondgelopen. Ik zie het papiertje, waarop ik al mijn
organen ruimhartig ter beschikking stelde voor wie daar belang bij
mocht hebben, inclusief mijn in die tijd nog weelderige baard, nog
voor me. Dat is dus niet meer nodig.
Onlangs sprak ik iemand die ook al jaren donor was. Hij had zijn
codicil weggegooid maar tevens gemeld dat hij geen donor meer
wilde zijn. “Ik vond het een goede zaak, dat iemand anders nog iets
aan mij zou kunnen hebben na mijn dood, maar nu het verplicht wordt
vertik ik het!” Ik weet niet of het kwam omdat hij niet van Pia Dijkstra
houdt, dat zou ik nog kunnen begrijpen ook, maar ik vind het geen
reden mezelf af te melden.
En dit alles doet me weer denken aan onze Coronaperikelen. In maart
werden we er door overvallen. Iemand maakte toen de grap dat hij
voor alle zekerheid zijn schoonmoeder alvast had afgezegd voor de
Kerstdagen. “Je kan niet voorzichtig genoeg zijn!” Kerst leek in die
dagen, toen de veertigdagentijd in het water viel, nog heel ver weg.
Het grootste probleem van die hele corona was dat er geen vaccin
beschikbaar was. Het is nu december, de vaccins zitten er aan te
komen, en in de media gonst het van de bezwaren en de mitsen en
maren. “En we laten ons zeker niet verplicht vaccineren!”
Ik wist dat we in een land leven waar veel gezeurd en gezanikt werd,
maar eigenlijk is het verbazingwekkend dat we kennelijk in staat zijn
om zelfs van goed nieuws, hoera!, een vaccin!, chagrijnig te worden.
Nochtans wens ik, in deze laatste kerkbode van 2020, iedereen die dit
leest goede kerstdagen, met of zonder schoonmoeder, en daarna een
goed uiteinde, en een mooi begin van een hopelijk op een gegeven
moment coronavrij 2021.

Goede voornemens
(9 januari 2021)

Over het algemeen ben ik geen opgewonden type en een heer in het
verkeer. Dat vind ik zelf tenminste. Hoe andere mensen daarover
denken is nog maar de vraag.  
Dezer dagen rij ik dagelijks hetzelfde ritje, van Loppersum naar
Groningen en weer terug. Soms zelfs twee keer op een dag.
Als ik bij ons uit de wijk kom steek ik de Wijmers over, en moet
vervolgens linksaf. Verkeer dat van links komt moet mij voorrang
verlenen. Als ze nog niet te dichtbij zijn en niet te idioot hard rijden
ben ik wel zo vrij om die voorrang ook te némen.
Vervolgens nader ik een zijweg van rechts. Uiteraard wacht ik op een
eventuele collega weggebruiker, maar zo iemand rijdt soms pas echt
door tot hij zeker weer dat ik helemaal stil sta. Dan had ik er ook wel
voor langs gekund!
Via de Stedumerweg en de Delleweg stoom ik op naar de
Eemshavenweg. Nou ja, stoom ik op, het eerste stuk mag je 60,
verderop 80, maar veel collega’s halen dat niet. Dat hoeft natuurlijk
ook niet, maar het schiet ook niet op. Vaak probeer ik toch maar te
passeren, want als je dat niet doet zit je straks op de Eemshavenweg
er nog steeds achter, gevangen door de doorgetrokken streep. Dat is
ook zo’n wonder van verkeersvernuft. Een dubbele streep met een
strook asfalt ertussen. Op de Eemshavenweg is die strook groen. Dan
mag je 100 kilometer per uur rijden. Ook hier geldt: het mag, maar het
hoeft niet. In mijn zuinige periodes reed ik ook wel eens 80 met mooie
muziek en een sigaar aan, maar deed dat nooit als er iemand achter
me reed. Er zijn talloze mensen die dat wel doen. Ik heb me de
afgelopen weken al regelmatig laten verleiden om die streep te
negeren. Vooral als je terug komt uit de stad en bij Zuidwolde weer
naar beneden duikt. Je ziet een compleet lege weg, haast tot aan de
afslag Ten Boer toe, en toch mag je niet passeren. Ik zou daar best
wel eens een uitleg over horen van een deskundige. (Ja, er zit een
bocht in, en als je dat niet weet, enz…)
Maar we waren nog maar op de heenweg. In de stad aangekomen zie
je van ver een stoplicht op rood staan. Minutenlang. Tegen de tijd dat
je aangesloten bent in de rij, hoewel, zijn drie auto’s een rij?, duurt het
nog wel even, maar uiteindelijk is het groen. Vaak tref ik oranje,
domweg omdat de eerste in de rij totaal geen haast heeft. Dat hoeft
ook niet natuurlijk, maar hij is niet alleen op de wereld!
Vervolgens een rotonde. In de stad hebben fietsers ook voorrang.
Geven automobilisten vaak al niet aan waar ze heen gaan, fietsers
doen dat nog minder. Soms sta je met een mannetje of vijf te wachten
voor één fiets die totaal geen hinder van ons zou hebben
ondervonden als we waren doorgereden. Vlak na de rotonde ligt een
zebrapad, en zodra een voetganger zijn grote teen in de richting van
zo’n pad steekt moet je stoppen. Vooral leuk als de auto vóór je
opeens in de ankers duikt, net nadat je nog vlak voor die kwaaie
fietser de rotonde kon verlaten.
Ik ben nog niet eens op mijn eindbestemming, maar de column is al
vol. Mijn goede voornemens zijn om me vooral minder te ergeren.
Maar ik ben bang dat ik ze nog even moet uitstellen.

Goede voornemens (2)
(23 januari 2021)


Vorige keer vertelde ik over mijn goede voornemens. Dat ik wil
proberen om me minder te ergeren aan mijn collega
verkeersdeelnemers die hun weg lijken af te leggen met het doel om
te voorkomen dat anderen vlot hun doel bereiken. Ik zeg vlot, want ik
bedoel ook vlot. Ik hoef niet razendsnel, maar ik wil gewoon lekker
doorrijden als er geen serieuze aanleiding is om dat niet te doen.
Iets anders.
Stelt u zich voor, een parkeerplaats, met plaats voor ongeveer 150
auto’s. Die staan er niet altijd, maar het is vaak wel behoorlijk vol, en
dan is het even zoeken naar een plekje waar je zodanig kan staan dat
je buurman er ook netjes weer uit kan. Liefst zonder mijn bumper mee
te nemen. Ik kom daar de laatste tijd regelmatig. Om de
parkeerplaats, gelegen op een paar honderd meter van het gebouw
waar al die autobezitters zich bevinden, loopt een straat, alwaar hier
en daar een bankje staat. Als je niets te doen hebt, of  even niet
terecht kan in dat gebouw, kun je daar mooi genieten van de zon, het
uitzicht, en, in mijn geval, een killersudoku op de telefoon, vergezeld
van een lekkere sigaar. Mij kun je niet tevredener krijgen.
Laatst was het ook zo’n middag. Ik had dus even niks te doen. Het
liep al tegen vijven, en al heel wat mensen die in dat gebouw hun
werk hadden gedaan startten hun auto weer en gingen op weg naar
huis. Sommigen hadden daar de hele dag doorgebracht, en het
wegrijden van hun koude auto, de meeste bepaald niet met een
elektrische motor, veroorzaakte zichtbaar de nodige uitlaatgassen. Als
kind vond ik trouwens de bus met zijn dieselmotor altijd ontzettend
lekker ruiken, maar dat vind ik zelf achteraf ook wel een beetje
vreemd.
Ik zit dus lekker op mijn bankje, de killersudoku is moeilijk maar ik kom
er uit! De sigaar brandt, en  dat was nog lastig geweest, want mijn
aansteker was vrijwel leeg, en een aansteker vind je niet meer in
moderne auto’s.
Een mevrouw in een rolstoel rijdt op een meter of vijf, aan de andere
kant van de weg langs. Ze wil iets tegen me zeggen, maar moet even
wachten tot een optrekkende auto langs is. Een pruttelende diesel. Ze
begint te praten terwijl er nog een voorbij rijdt, maar dan is de kust
veilig. “Weet u wel dat u hier niet mag roken, op het hele terrein niet?”
Ik wist het wel, en ik ben ook groot voorstander van een rookvrije
generatie, maar vind dat ikzelf nog bij de vorige generatie hoor. We
stonden ook niet naast de kinderopvang tenslotte! Ze ging verder: “Ik
ruik uw sigaar hier.” “Dan boft u maar,” wilde ik zeggen, maar ze
ratelde door: “En hij stinkt vreselijk…”
“Dan kunt u misschien maar beter doorrijden,” adviseerde ik haar, en
dat deed ze al mopperend ook.
Brave jongen als ik ben, ben ik toch maar het terrein afgelopen en op
een bankje honderd meter verderop gaan zitten. En ik zorgde er voor
niet aan mijn Senoritas te trekken als er net iemand langsliep. Er
kwam nog een hardloopster
voorbij die op een tiental meters verwijder van mij de weg overstak en
daar haar weg vervolgde om even later weer terug over te steken. Ik
denk dat ze dat deed vanwege de anderhalvemeter samenleving.
Zoals gezegd, ik probeer me minder te ergeren. Dat moesten meer
mensen doen.

Politiek
(6 februari 2021)

Ik verbaas me altijd over landen met tweepartijenstelsels. Zoals de
Verenigde Staten van Amerika. Het is toch vreemd dat een nieuwe
president die tot de andere partij behoort dan de vorige werkelijk alles
wat er is besloten of in wetten is vastgelegd met hetzelfde gemak
weer kan terugdraaien. Het is dan ook niet zo gek, als beide partijen
ongeveer even groot zijn, dat het halve land zich bekocht voelt bij zo’n
presidentswissel. Alles waar vier jaar lang hard aan is gewerkt wordt
met één pennenstreek tenietgedaan. Als culminatie van alle frustratie
die dat opwekt bestormden op de dag dat de verkiezingsuitslag
definitief werd vastgesteld, daartoe onbeschaamd aangemoedigd
door hun president, allerlei opgewonden Amerikanen het Capitool, om
overigens eenmaal binnen geen idee te hebben wat ze daar op dat
moment moesten doen. Ze gingen selfies maken!
Het deed me denken aan mijn vroegste jeugd toen ik met een
vriendje, we waren een jaar of zes, achterna werd gezeten door een
paar buurmeisjes. Die waren wat ouder. Tieners met mooie rode
maillots, herinner ik me. Op de een of andere manier vonden wij het
wel leuk, en we lieten ons best makkelijk pakken. Maar wat er daarna
moest gebeuren, daar hadden noch wij, noch die buurmeisjes een
idee van.
In Nederland hebben we, gelukkig, roep ik altijd, een
meerpartijenstelsel. Geen enkele club heeft de absolute meerderheid,
en als je al de grootste bent, zoals de VVD volgens alle peilingen, heb
je hooguit 30 procent van de bevolking achter je. Iedereen moet
rekening houden met iedereen.
Mark Rutte schijnt onverminderd populair te zijn. Alle
Coronamaatregelen, van Lockdown (hoewel het overal gewoon druk
is) tot avondklok, van testcapaciteit tot vaccinatiestrategie, komen op
het bordje van minister de Jonge, van het CDA. Dat doen ze handig.
Rutte houdt bij de persconferentie een bemoedigend praatje, en De
Jonge mag de ellende toelichten.
Die avondklok gaf aanleiding tot grootscheepse en idiote rellen. Er
werd vernield en geplunderd, en niemand weet waarom. En zoals in
Amerika de president opriep tot verzet hebben we ook in ons land
politici die de mensen adviseerden om de avondklok niet te pikken.
Uiteraard bedoelden ze niet, daar op aangesproken, dat er gereld
moest gaan worden…
In de Tweede Kamer zijn ze het ene moment kwaad als de regering
niet snel genoeg handelt, en het andere moment, als de regering wel
een keer spijkers met koppen wil slaan, zijn ze weer beledigd dat ze
als Kamer niet eerst zijn geraadpleegd. Het is nooit goed.
De Jonge ligt onder vuur. Hij maakt niet waar wat hij belooft, hoor je
dan. Maar hem wegsturen doet de Kamer niet. Uiteraard niet. Wie zou
het als nieuweling, zonder alle ervaring die De Jonge inmiddels heeft,
beter doen?
Je hoort ook partijen die vinden dat Rutte meer de
verantwoordelijkheid moet nemen. Hij is tenslotte minister van AZ,
algemene zaken, vrij vertaald, van alle zaken. Hijzelf houdt graag
afstand. De inhoud overlaten aan vakministers. Ik herinner me nog de
ergernis die premier Lubbers opriep, omdat hij maar al te graag met
zijn ministers meedacht.
In een commentaar las ik dat de roep om Rutte meer verantwoordelijk
te maken niet wordt ingegeven door de verwachting dat hij het beter
zou doen. Juist niet.
Als het hem ook niet lukt om alles vlot en gladjes te laten verlopen
geeft dat de oppositie mooi de gelegenheid hém aan te vallen en iets
aan zijn onverminderde populariteit te doen. Eigenlijk is politiek een
gemeen spelletje.

Beleefdheidskapitaal
(20 februari 2021)

Ik vond het een mooi woord. Maar ik kende het niet.
Beleefdheidskapitaal. Ik dacht aan een bank waar mijn geld
verantwoord wordt belegd. Bijvoorbeeld in groene stroom of in
klimaatmaatregelen. Ook dacht ik even aan de spaarrente. Die 0,01
procent kun je nauwelijks méér noemen dat een beleefdheidsrente,
net zoals een bezoekje aan iemand waar je geen zin in hebt, en dat je
toch aflegt, een beleefdheidsbezoekje kan heten. Of ging het
misschien om de compensatie die de slachtoffers van de
toeslagenaffaire krijgen, of waarvan in ieder geval is toegezegd dat ze
die ooit gaan krijgen? (Je zal maar 83 euro schade hebben en 30.000
euro compensatie ontvangen!)
Nee. Niets van dit alles. Ik las het woord in de krant, op teletekst, en
het kwam zelfs langs in het NOS-journaal. Het ging over de nieuwe
Bijbelvertaling. Verwijzingen naar God en de Schepper worden weer
met hoofdletters geschreven. Dat was sinds 2004 niet meer zo, en
veel Bijbellezers hadden daar bezwaar tegen gemaakt, zo hoor ik. Ik
heb ook een ontzettende hekel aan te pas en te onpas tutoyeren, ‘jij
en je pensioen’, ‘als jij een bouwvergunning wil’, “hebben jullie dit
gezien?” zegt Margriet van der Linden tegen ons, en zo kan ik nog wel
een poosje doorgaan. Als in mijn koor de sopranen vals zingen zeg ik
nooit: “jullie zingen vals”, maar ik doe het beleefd: “dames, ik heb de
indruk dat u er enigszins naast zit.” Het lijkt me heerlijk trouwens om
dat na een jaar weer eens tegen de sopranen te kunnen zeggen, of
de tenoren, of wie dan ook.
Maar ik heb nooit aan de Bijbeluitgever gevraagd of ze die kleine
letters weer in hoofdletters zouden willen veranderen. En ook niet om
al die veranderingen in het liedboek weer terug te draaien: weer ‘juicht
aarde’ in plaats van ‘juich aarde’, en ‘looft de Heer’ voor ‘loof de Heer’.
De hoofdletters komen dus terug, en verschillende theologen zitten nu
in de gordijnen. In hun beleving is ‘hij’ een mannelijk woord, en daar is
ook helemaal geen speld tussen te krijgen. Maar als je dan “Hij” met
een hoofdletter gaat schrijven wordt het nog véél mannelijker
(hoezo…?), vinden ze. In zulke kringen heet dat masculien, en u
begrijpt, dat moeten we niet willen.
Een van de bezwaar makende theologes had een prachtige oneliner
ingestudeerd. “Als God mannelijk is dan is het mannelijke god.” Het
klinkt goed maar het slaat nergens op. Als je een wetenschappelijke
studie begint is het eerste college dat je krijgt het vak logica. ‘Als p
dan q’, wil dat niet zeggen dat automatisch ook ‘als q dan p’: Als het
regent worden de straten nat, maar als de straten nat zijn is dat geen
bewijs dat het geregend heeft. Er kan ook ergens iets lekken. En
zoals we weten is een koe een beest maar niet elk beest is een koe.
Dus als je zegt dat “als God mannelijk is dan is het mannelijke god”
kraam je onzin uit.
Nou heb ik een predikant al eens in vertrouwen horen zeggen dat zijn
vak bestaat uit recht praten wat krom is, en ik ken mensen die veel
moeite hebben om theologie een serieuze wetenschap te noemen.
Zo’n mevrouw helpt ze daar niet echt bij.
Los daarvan vind ik de ophef over de masculiene God (en ik snap
best dat het lastig is als je een vervelende vader hebt of had)
behoorlijk ver gezocht.
Leve de beleefdheidskapitaal!

Verkiezingen en privacy
(6 maart 2021)

De verkiezingen komen er aan. In verband met corona mogen
ouderen, mensen van boven de 70 jaar, per brief stemmen. Om vast
te stellen dat de stem ook daadwerkelijk is uitgebracht door een
kiesgerechtigde moet de zeventigplusser zijn stempas meesturen met
zijn stembiljet. Hij krijgt daartoe twee enveloppen. In de ene moet zijn
ingevulde stembiljet, en die dichtgeplakte enveloppe moet, samen met
zijn stempas, in de andere enveloppe. Dat is bedacht om te
voorkomen dat degene die op het gemeentehuis de post regelt, kan
zien wat de stemmer gestemd heeft. Hij maakt de post open, ziet dat
er een enveloppe met een stembiljet in zit, en aan de hand van de
stempas die er bij zit, weet hij dat hij die stem kan meetellen. Maar hij
maakt de enveloppe met het stembiljet niet open, want dan zou hij
alsnog weten op wie er gestemd is.
Men verwacht dat het vaak mis zal gaan, en dat de zeventigplusser
zijn stembiljet in dezelfde enveloppe zal stoppen als zijn stempas.
(Men heeft blijkbaar geen hoge pet op van de Nederlandse oudere. Of
men heeft de uitleg over de manier van stemmen in dusdanige
ambtelijke taal opgesteld dat men zelf ook niet meer snapt hoe het
moet.) Zo’n stem is bij voorbaat ongeldig. Ik denk dan: die ambtenaar
hóeft dat stembiljet toch niet open te vouwen, of hij nou wel of niet kan
zien van wie het afkomstig is?
Hoe het ook zij, ik ga met mijn 67 jaar gewoon lijfelijk stemmen. Ik
neem mijn stempas mee en het gaat vast lukken.
Ik neem niet aan dat ik op 17 maart al gevaccineerd ben, maar mocht
dat wel het geval zijn, dan zou ik er ook geen bezwaar tegen hebben
om mijn vaccinbewijs mee te nemen. Er zijn mensen, zij besturen ons
land, of controleren dat bestuur, die dat wel een bezwaar vinden. Na
eerst maandenlang gezeur over of en wanneer er een vaccin zou zijn,
vervolgens over de volgorde en het tempo van vaccineren was er de
discussie over het wel of niet verplicht stellen. Hebben we eindelijk
een vaccin en dan willen we toch vooral vaststellen dat we heus niet
vinden dat iedereen zich verplicht moet laten vaccineren.
En daarna ging het over de vraag of je iemand die bij jou de winkel in
wil stappen mag vragen of hij gevaccineerd is. “Natuurlijk niet!”, klinkt
het gelijk in Den Haag. Privacy is onze huidige religie. Trouwens, als
je gaat winkelen mag je maar met een paar mensen per verdieping
naar binnen. Mijn sigarenboer heeft maar één verdieping, en zo ken ik
nog wel een paar winkels, wat zeg ik, ik ken nauwelijks winkels met
méér verdiepingen!
Het leven was vroeger toch een stuk makkelijker. Voor je als
onderwijzer (zo heette dat toen nog) aan de slag mocht, moest je een
bewijs van goed gedrag overleggen. Dat schreef de burgemeester
voor je. En ook moest je een TBC-verklaring hebben. Ik meen dat er
in Groningen een speciaal gebouw was waar men niets anders deed
dan de controle op TBC en de administratieve verwerking daarvan.
Ik kan me niet herinneren dat leraren in spe op basis van hun recht op
privacy weigerden zo’n bewijs van goed gedrag of een TBC-verklaring
te overleggen. Je deed braaf wat de overheid van je vroeg. In die tijd
was die overheid misschien ook nog wel te vertrouwen…
Je wordt ouder, opa, hoor ik wel eens.

Niks mee te maken!
(20 maart 2021)

Het zijn van die dingen die je heel normaal vindt, maar die je ooit een
keer voor de eerste keer zag of meemaakte. Zo weet ik nog precies
wanneer ik de eerste keer van mijn leven een roltrap zag. En ook een
lift was een hele ontdekking. Toen ik een jaar of vijf was werden mijn
amandelen geknipt. Toen de mens werd geschapen kreeg hij een stel
amandelen mee, maar kennelijk waren die dingen nergens goed voor,
want in de zestiger jaren van de vorige eeuw, wat zeg ik, al veel
eerder, was het mode om ze er maar zo gauw mogelijk weer uit te
knippen. Je had er meer last dan gemak van. Maarten ’t Hart schreef
er een luguber verhaal over.
Ook bij onze dochter zijn ze al op jonge leeftijd verwijderd. Ik heb
geen idee hoe dat tegenwoordig gaat. Wat ik me vooral herinner van
die operatie is de weg er naar toe. Samen met mijn tweelingzus werd
ik met bed en al een kamertje in gereden. Het was een kamertje van
niks, rechthoekig, met alleen een schuifdeur aan één kant. Er zaten
geen ramen in. We bleven daar even staan en toen ging de
schuifdeur weer open en werden we er weer uit gereden. Maar we
waren opeens heel ergens anders. Ik snapte er helemaal niks van.
Laatst stonden we met zijn drieën voor een lift. Het was in een
parkeergarage. Eigenlijk stonden we voor twee liften, naast elkaar.
Een man met een rollator was er al toen wij tweeën aansloten. In liften
waar je normaal met zijn twintigen mee naar boven mag, (al vraag ik
me dan altijd af waar je al die mensen zou moeten laten, stapelen
denk ik,) mag je nu nog maar met maximaal twee “tenzij uit één
gezin”. Ik weet dan nooit of wij met zijn tweeën uit één gezin er in
mogen, plus nog één andere figuur, bijvoorbeeld een man met een
rollator, of alleen wij tweeën. Om het probleem het hoofd te bieden
overwoog ik de drie verdiepingen per trap te bestijgen.
“Mag niet,” zei de man, “niet meer dan twee!” al voordat de liftdeur
open ging. “Maar ik neem de trap,” zei ik, “dan past het precies!”
“Niks mee te maken,” riep hij en stapte de lift in. Hij ging wel zodanig
met zijn looprek staan dat er niemand meer bij kon. “Wat een onzin,”
probeerde ik nog, maar de deur ging al dicht, en de man begon zijn
tocht naar boven. Ik drukte op de knop om de andere lift naar
beneden te vragen. Ik was wat aan de vroege kant en de deur van de
lift met de rollatorman ging weer open. We moesten er wat om lachen.
Wij dus, hij niet. Toen hij de deur daarna weer sloot kon ik het niet
laten om nog eens te drukken, en weer keken we in het steeds bozer
wordende gezicht van de man. Intussen was ook de andere lift
gearriveerd en uiteindelijk kwamen we tegelijkertijd boven aan.
Op weg naar huis troffen we nog een boze man in een auto die vond
dat de rotonde eigenlijk voor hem alleen was bedoeld, en dat het
zeker niet de bedoeling was dat wij vóór hem langs zouden gaan.
Toen moest ik opeens aan Paulus denken, Romeinen 12:18, ik kan
het ook niet helpen. “Maak, voor zover het aan jou ligt, met niemand
ruzie.” Ik doe mijn best!

Foto
(3 april 2021)


Sinds onze telefoons zijn geëvolueerd tot computers maak ik al mijn
foto’s daarmee. Het kan ontzettend handig zijn als je een
gebruiksaanwijzing niet kan lezen. Je maakt een foto en zoomt
daarna in. De techniek staat voor niets.
Minister Ollongren werd het slachtoffer van die techniek. Een beetje
onhandig, wat zeg ik, ontzettend onhandig liep ze met haar
aantekeningen onder haar arm over straat. De fotograaf die was
ingehuurd om een op de tafel dansende Sigrid Kaag vast te leggen
was ook niet te beroerd om even af te drukken toen hij haar collega
van Binnenlandse Zaken zag lopen.
Dat dansen op tafel was trouwens naar aanleiding van de recordwinst
van D66. 27 zetels! Nog meer dan Van Mierlo ooit met 24. Later
bleken het er 23 te zijn, en nog later toch weer 24. Dat was ook zo
grappig op die verkiezingsavond met al die analisten die ook
vaststelden dat de ChristenUnie was afgerekend op de
regeringsdeelname. Van 5 naar 4. De volgende dag waren het er toch
weer 5, en sloegen al die analyses nergens meer op.
Ik vind het wel heerlijk, praatprogramma’s niet meer alleen over
corona, maar ook over de politieke consequenties van die bijzondere
verkiezingsuitslag. Over een formatie, waar de formateur, die vaak
wordt voorafgegaan door een informateur, de laatste keren ook
steeds nog door een verkenner wordt voorbereid. Dat is altijd een wat
oudere politicus, met wat afstand tot de waan van de dag. Dat er nu
zelfs twee verkenners werden aangesteld, midden uit het politieke
leven, zou je op zijn minst vreemd kunnen noemen.
Die blunder van Ollongren deed me denken aan wat ik zelf
meemaakte toen ik in conflict lag met mijn baas, zo iemand die
tegenwoordig leidinggevende heet. Haar argumenten en
berekeningen hoe en met welke kosten zij mij weg kon krijgen
kopieerde ze op het kopieerapparaat bij ons op kantoor, en het
origineel liet ze liggen. Toen ik zelf even op de knop drukte wist ik
precies wat ze van plan was, en kon mijn tegenmaatregelen nemen.
Dat heeft achteraf geweldig uitgepakt!
Omtzigt weet nu ook waar hij aan toe is.
Ik had al vaker moeite met Ollongren, en, ik schrijf dit op 27 maart,
morgen gaat de zomertijd in, dan denk ik weer aan haar onderzoek
naar het draagvlak voor die klok die een uur vooruit gaat. In dat
onderzoek (op 5 januari 2019 schreef ik er over), waaruit de conclusie
werd getrokken dat de meerderheid tegen de zomertijd is, werd in een
vraag over permanente zomertijd volgens haar “gesuggereerd dat de
zon in dat geval eind juni om 20.00 uur ondergaat. Dat moet 22.00 uur
zijn.” Afgezien van het woord ‘gesuggereerd’ (hoezo, het werd
blijkbaar niet gewoon gezegd, maar in bedekte termen meegedeeld?)
vind ik het een rare toestand. De grap van die zomertijd is toch juist
dat het langer licht blijft. Daar gaat het toch om. Op dat gegeven
baseer je toch je mening? Maar Ollongren was niet voor een gat te
vangen. Ze betwijfelde “of de fout van invloed is geweest op de
uitslag.” Blijkbaar maakt het niet uit hoe je je onderzoek doet.
Iedereen kan tegenwoordig maar minister worden!
De formatie strompelt voort, met twee nieuwe verkenners en een D66
dat al volop bezig is zijn hand te overspelen. “Weg met de avondklok,”
riep mevrouw Kaag, “omdat wij met onze 24 kamerstoelen dat
willen…”
Boeiende, maar eigenlijk ook gênante tijden.
Toch is het dit weekend gewoon Pasen!
 

Kaag
(17 april 2021)

Soms is de werkelijkheid zo wonderlijk, dat je het niet zou kunnen
verzinnen. Dergelijke gedachten beslopen mij toen ik het
formatiecircus in Den Haag langs zag komen. Wat zijn het toch
bijzondere jongens, die politici, en meisjes, uiteraard.
We hadden tussendoor nog de verkiezing van de voorzitter van de
Tweede Kamer. Ik geniet als Martin Bosma de vergadering voorzit.
Vlot en met humor. En ik genoot van zijn toelichting op zijn sollicitatie.
Maar hij is van de verkeerde partij.
Eén voor één mochten de Kamerleden, in drie groepen van vijftig, hun
stembriefje inleveren in een door de hartstichting veertig jaar geleden
al afgedankte collectebus. Al na één ronde werd mevrouw Arib
bedankt voor bewezen diensten en kregen we D66-mevrouw Vera
Bergkamp als voorzitter. De naam Bergkamp associeerde ik altijd met
die fantastische goal tegen Argentinië. Frank de Boer schoot de bal
diagonaal over het veld naar de rechtsbuitenplek waar Dennis hem op
onnavolgbare wijze opving, doodmaakte, en met een subtiel maar o
zo effectief trapje met de buitenkant van zijn rechtervoet achter de
keeper tikte. Ik was in die tijd een groot fan van het Nederlands elftal,
en dacht dat ik even helemaal gek werd. Wat was dat mooi.
Het Nederlands elftal van tegenwoordig doet me niet veel meer, wat
zeg ik, veel van de spelers vind ik irritante baasjes die niet in de gaten
hebben dat voetbal een teamsport is. Ikke, ikke, ja, juicht u vooral
voor mij, ikke maakte het doelpunt. Maar de pass, of het balletje diep
dat er aan vooraf ging, was veel knapper. Je ziet ook spelers die niet
of nauwelijks juichen, als een collega scoort. Ze hadden liever de bal
zelf in het doel geschoten.
Voetballers lijken wel politici. En omgekeerd. Wilders sprak, in
voetbaltermen, over een een-tweetje tussen Rutte en Kaag, om Vera
Bergkamp naar voren te schuiven als kandidaat voorzitter. En om de
vermeende goede verhoudingen te laten zien stemde direct de
meerderheid maar op haar.
Gert-Jan Segers, de leider van de ChristenUnie, besloot, nadat men
had afgesproken het paasweekend te gebruiken om na te denken, dat
hij op Stille Zaterdag al was uitgedacht. Dat kan. Sommige mensen
kunnen snel denken. “Nooit meer met Rutte in een kabinet.”
Zondagmorgen in een praatprogramma, dat ik tegenwoordig gewoon
kan zien omdat we onze kerkdiensten op zaterdag opnemen, maakten
prominente VVD’ers zich daar kwaad over, maar probeerden ook heel
stoer te doen, en te zeggen dat die 5 zeteltjes van Segers cum suis
heus niet cruciaal waren. Ik snapte niet waarom ze zich dan zo kwaad
maakten! En de afgelopen vier jaren waren ze meer dan cruciaal!
Sinds de Omtzigt-functie-elders soap wil men meer openheid. Maar
volgens mij is teveel openheid helemaal niet goed. Je moet toch bij
onderhandelingen de vrijheid hebben om alles te kunnen zeggen. Als
je weet dat alles openbaar wordt, kan je geen enkele mening meer
geven lijkt me.
Intussen, de werkelijkheid zou zomaar nog erger kunnen zijn dan je
kan bedenken, bekroop me opeens de gedachte dat Ollongren met
opzet die aantekeningen open en bloot mee naar buiten had
genomen. Want het blijft natuurlijk uiterst vreemd als je een tas onder
je arm hebt, en je stopt je papieren daar juist níet in. Niet eens in een
mapje?! Dan heb je daar misschien toch een bedoeling mee. En het
kwam D66 goed uit. Rutte in het nauw, en Kaag denkt dat ze in een
riante positie zit. “Nieuw leiderschap!” roept ze. Ik hou mijn hart vast…

Taal en nuance
(1 mei 2021)


Bij ons op school had de leraar Nederlands de gewoonte om bij elke
werkwoordsfout in een tekst anderhalve punt af te trekken. Als je een
schitterend opstel had geschreven met een paar verkeerde d’s en t’s
kon het zomaar gebeuren dat je een onvoldoende kreeg. Ik kan me
niet herinneren dat daarover veel discussie was. Het was immers het
vak Nederlands; logisch dat het dan goed moest.
Anders werd het toen ook de leraar geschiedenis taalfouten ging
bestraffen. Als je precies wist wie waar en met wie en waarom oorlog
had gevoerd, maar je was niet goed in werkwoordsvormen kon dat
ook zo zijn consequenties hebben. Met hém ging de klas wel in
discussie. En ik meen me te herinneren dat de klas toen gewonnen
heeft. Wel bleef hij taalfouten met een extra dikke rode pen
aanstrepen. “Ik hoop dat je daar wat van leert…” was zijn standaard
opmerking.
In deze tijd zijn we doodsbang dat we mensen tekort doen, kwetsen,
of discrimineren. Ik hoorde over een vorm van discriminatie die ik nog
niet kende. In Groot-Brittannië, om precies te zijn aan de universiteit
van Hull, mogen docenten taalfouten niet meer verbeteren. Want door
dat te doen maken ze onderscheid tussen mensen die goed in Engels
zijn, en lieden die die taal, vaak omdat ze buitenlander zijn, minder
goed beheersen. Dergelijke studenten zouden door die aandacht voor
hun taalgebruik worden benadeeld. “Inclusiviteit en diversiteit komen
op die manier in het gedrang…”
In Trouw had columnist Jan Beuving, een wiskundige die ook
fantastische cabaretprogramma’s maakt, het er ook over.
“Communiceren in eigen taal zou ook helpen,” vindt hij. En hij hekelde
en passant het gebruik van Engels aan Nederlandse universiteiten.
Het lijkt misschien wel stoer om alles in het Engels te doen, maar het
vertellen van een verhaal in een taal die niet je moedertaal is “is
funest voor de nuance, en daarmee voor de boodschap.”
Over taal en nuance gesproken. Onvermijdelijk hebben we het dan
weer over de politiek, het vertrouwen daarin, en de formatie. Minister
Hoekstra schijnt ooit in een ministerraad (waar het ging over de
eindeloos voortslepende toeslagenaffaire) gezegd te hebben dat
Pieter Omtzigt moest worden getemperd. Later bleek hij dat woord
niet te hebben gebruikt. Hij had gezegd dat Omtzigt moest worden
gesensibiliseerd. Dat wordt hem kwalijk genomen en de geheime
notulen van die ministerraad worden nu zelfs openbaar gemaakt,
zodat we allemaal kunnen zien hoe erg dat wel niet was.
Ik heb het idee dat ik enigszins begrijp wat het woord betekent. Op het
internet lees ik dat sensibiliseren inhoudt dat je iemand wijst op, of
gevoelig maakt voor, dingen waar die ander eerst geen aandacht voor
had. Het zal wel. Ik heb het woord zelf nooit gebruikt, en zal dat, na
deze column, ook nooit meer doen!
Mij lijkt het niet zo vreemd dat je als regerende club overlegt hoe je
alle neuzen in dezelfde richting krijgt. En ook niet vreemd dat je dan
weleens iets ongenuanceerds zegt, iets dat een ander beter niet kan
horen, zonder dat het nou een pertinente leugen of een doodzonde is.
Ik denk ook niet dat volledige openheid een goede zaak is. (Veertien
dagen geleden had ik het er ook al over.) Formeren, onderhandelen,
het is aftasten, zoeken hoe de dingen zouden kunnen gaan lopen. Als
je alles direct en volledig hardop zegt valt er niks meer te
onderhandelen.
Maar er een enigszins genuanceerde mening op na houden is
natuurlijk nooit verkeerd…

Orgelspelen in de kerk (1)
(15 mei 2021)

In de tijd dat ik begon als kerkorganist was het gebruikelijk dat de
koster ervoor zorgde dat op zondagmorgen het orgelbriefje klaarlag
op de trap naar het orgel. Naar boven lopend keek je het even door,
en boven aangekomen was het het makkelijkst om de overbekende
bundel van Worp op de lessenaar te zetten en de aangegeven
psalmen daaruit te spelen. Inclusief het voorspel. De meeste kende je
wel, en de psalmen die je niet kende werden toch nooit gezongen.
Omdat iedereen uit Worp speelde zouden trouwens veel
gemeenteleden, naast de psalm zelf, ook het voorspel makkelijk
hebben kunnen meezingen! Achteraf kan ik me nauwelijks voorstellen
dat we als organisten die gang van zaken accepteerden.
Toen mijn vader, die mij voorging als organist/begeleider, eens op
zaterdag de dominee belde met de vraag naar de te zingen liederen
kreeg hij van de voorganger doodleuk het antwoord dat hij dat nog
niet precies wist en dat de organist (ik was aan de beurt, pa belde om
mijnentwil) maar moest opletten op zondagmorgen welke nummers hij
opgaf. Mijn vader adviseerde mij toen om tijdens de kerkdienst maar
heel lang te doen over het opzoeken van de juiste psalm. Misschien
dat dat onze predikant zou stimuleren om wat eerder met de
liturgische gegevens op de proppen te komen.
Ikzelf vond het eerlijk gezegd niet zo’n probleem. Ik vond het ook nog
wel stoer om vanuit het eenstemmige psalmboek de liederen
improviserend van begeleidingsakkoorden te voorzien. Ook dat kan ik
me nu nauwelijks meer voorstellen. Niet dat het niet op die manier zou
kunnen! Heus wel! Maar een voor de vuist weg geïmproviseerde
harmonisatie haalt het natuurlijk niet bij een zorgvuldig voorbereide
zetting, waarbij een mooi lopende baslijn en stimulerende akkoorden
er voor zorgen dat de gemeente als vanzelf wordt meegenomen in de
gang van het te zingen lied. Nog steeds zorg ik dat ik op zondag een
uitgewerkt akkoordenschema bij me heb van de liederen die op de
liturgie staan. Een krakkemikkige begeleiding werkt krakkemikkig
zingen in de hand!
Nadat de ‘enige gezangen’ werden uitgebreid tot 29, later tot 59, toen
119, en in 1973 met het liedboek tot 491, begrepen de meeste
voorgangers ook wel dat je als organist soms iets voor te bereiden
had. Ook al hebben we die 491 gezangen in de veertig jaar dat dat
boek werd gebruikt natuurlijk lang niet allemaal gezongen, het kwam
nog wel eens voor dat er een lied moest worden gespeeld dat ik niet
kende, en dat ook niet als vanzelf uit de vingers kwam. Dan was het
wel handig dat je op vrijdag of zaterdag al wist dat dat versje die
zondag aan de beurt was.
Overigens ken ik collega’s voor wie dat voorbereiden van een
kerkdienst vooral bestond (en misschien nog wel bestaat) uit het op
zaterdagmiddag doornemen van interessante of virtuoze voorspelen.
Ze zoeken in hun muziekkast naar mooie bewerkingen of naar
speciaal voor kerkdiensten gecomponeerde voorspelen. Het
begeleiden van het lied (en dat is toch waar het om gaat!) neemt zo’n
organist er min of meer op de koop toe bij. Hij speelt het uit het hoofd,
waarbij het maar de vraag is of de gemeente (vooral bij een minder
bekend lied) gebaat is bij zo’n voor het vaderland weg
geïmproviseerde akkoordenopeenvolging.
In coronatijden gaat alles allemaal heel anders. En dáár wilde ik het
eigenlijk in dit verhaal over hebben. Maar mijn kolom is vol. Wordt dus
vervolgd!

Orgelspelen in de kerk (2)
(29 mei 2021)

In coronatijd is alles anders. Van een voluit meezingende
kerkgemeente zijn we in recordtijd geëvolueerd tot een online
gebeuren met drie zwijgende mensen, maar zoals het er nu naar
uitziet intussen naar weer een min of meer normale dienst, met
maximaal dertig kerkgangers. Maar die dertig kerkgangers worden
zeker niet geacht mee te zingen!
Dat biedt veel en mooie mogelijkheden voor de organist. Ik ken
collegae die online doen alsof er wel een gemeente is, er van
uitgaande dat de mensen thuis op de bank zitten mee te zingen. Ze
spelen een voorspel, soms compleet met toontje vooraf na het
voorspel, alsof ze de thuiszittende meezinger, of zichzelf (!) niet
vertrouwen, en draaien gewoon als het ware het aantal coupletten af
dat op het programma staat.
Als je thuis op de bank níet zit mee te zingen (wat ik een behoorlijk
reële optie vind) valt er weinig luisterplezier aan zo’n lied te beleven.
Ik vind juist het mooie van deze situatie dat je als organist allerlei
mogelijkheden hebt om de geprogrammeerde liederen van meer en
andere muziek te voorzien dan in een samenzangsituatie. Je kunt
over de melodie improviseren, en hoeft je daarbij niet per se aan het
ritme van de liedboekversie te houden (zoals, om maar eens iemand
te noemen, collega Johan Bach dat ook vaak niet deed!), kunt vrijuit
transponeren naar toonsoorten die wel heel mooi klinken, maar te
laag of te hoog zijn om mee te zingen, en ikzelf verkeer ook nog eens
in de gelukkige omstandigheid dat er in onze gemeente een
sopraansaxofoniste huist die graag en schitterend meespeelt.
Bachbewerkingen met uitkomende stem door sopraansax, partita’s
met duo’s en trio’s, melodie in de bas, in de tenor, in de sax, met al
naar gelang treurige, enthousiaste, langzame, swingende, of gewoon
rechttoe-rechtaan in- en uitleidingen.
Kortom, het is wat mij betreft genieten van onlinediensten zonder
zang. “Wat kun je nu goed horen wat de organist allemaal doet!” zei
me laatst een gemeentelid.
Maar uiteraard is dat niet wat we willen. We willen zingen!
Intussen zijn we begonnen met diensten met 30 mensen en een paar
zangers uit de cantorij. Ook dan hebben we de luxe om niet per se de
liederen ‘gewoon’ te zingen. Met een club die een avond wil repeteren
kan ik bewerkingen maken die het, hopelijk, voor de niet-zingende
kerkganger en de online thuiszitter prettiger maken om mee te maken.
Prettiger dan alleen maar de liederen zonder meer, of, wat ook hier en
daar gebeurt, filmpjes via de beamer, later te zien op
kerkdienstgemist, die door een handige technicus (en met de zegen
van de EO) uit ‘Nederland zingt’ worden geplukt. Ik ken ook
organisten die, overal waar ze spelen, hun filmende telefoontje
meenemen, en het resultaat daarvan later op YouTube zetten. Ook
van deze ijdelheid wordt her en der dankbaar gebruik gemaakt in
onlinediensten.
Ondanks al mijn vreugde over de luxe van de online mogelijkheden:
wat zou het mooi zijn om weer gewone diensten te hebben, waarin
het je taak als organist is de lofzang, met een voluit zingende
gemeente, gaande te houden. Met mooie, goed voorbereide en tot
zingen uitnodigende zettingen van de liederen, met ‘genoeg’ muziek
om de tijd vóór de dienst te vullen, om tijdens de collecte het slotlied
boeiend in te leiden, en met na de dienst een fijne uitsmijter, die niet
al te lang duurt, in verband met de hopelijk klaarstaande koffie!

> COLUMNIST
> STARTPAGINA


De nieuwste column :

> COLUMNIST
> STARTPAGINA

Orgelspelen in de kerk (3, slot)
(12 juni 2021)

Het is al weer zes weken geleden dat ik iets schreef over de formatie
van ons nieuwe kabinet. In vroeger tijden was het tijdens
formatiepogingen smullen van de politieke verwikkelingen in Den
Haag, en (de kerkbode verscheen toen nog wekelijks) was er elke
week ook wel iets om je al columnend over op te winden. Dezer
dagen zijn de hoofdrolspelertjes vooral met zichzelf bezig, en dat al
bijna drie maanden. Als columnist je daar steeds weer over opwinden
lijkt me knap ongezond, en doe ik dus ook maar niet meer.
Dus toch nog maar even, tot slot, beloof ik u, over het orgelspelen in
de kerk.
Ik eindigde vorige keer met de hoop dat er na al dat gespeel, en een
kort uitleidend muziekje, een kop koffie wordt gepresenteerd. Dat gaat
nu gebeuren!
Zingen met de hele gemeente is er nog niet bij. We mogen nog even
muziek maken met een paar mensen in een minicantorijtje. Erg mooi
om te doen! Ik zag wel een advies van de PKN over dat zingen. Het
zou best mogen, maar dan moeten de mensen hun stem niet al te
zeer verheffen, en het liefst ook alleen het laatste lied van de liturgie.
Dan kan daarna iedereen zo snel mogelijk na het zingen de kerk uit,
(met excuus voor de flauwe woordspeling,) als tenminste het
uitleidende muziekje niet te lang is.
Sommige organisten zetten namelijk een stuk literatuur van heb ik jou
daar op de lessenaar. De gemeenteleden worden dan geacht die zes,
zeven, acht minuten braaf uit te luisteren op hun zitplaats. Als
orgelliefhebber is dat geen probleem, maar als je dat niet bent, en
waarom zou je als kerkganger automatisch orgelliefhebber moeten
zijn, is dat een hele zit. Er zijn dus ook mensen die dat niet volhouden
en zich toch maar alvast naar de uitgang begeven, dit tot ergernis van
hen die wel zitten te luisteren, een ergernis die het vaak wint van het
luistergenot. Voor hen is de lol er dan ook af. “Wat een
orgelbarbaren!”  Dus wat mij betreft toch maar een kort stukje na de
dienst.
Voor de dienst wordt ook altijd orgelspel verwacht. In coronatijden
hoefde dat niet per se, want de online dienst kon ook gewoon direct
starten. Je hoeft de mensen thuis niet bezig te houden terwijl ze thuis
zitten te wachten. Dan kunnen ze nog wel even koffie drinken of de
zaterdagkrant lezen. Maar nu de diensten weer fysiek worden is er
ook weer als vanzelf muziek voor de dienst. Ik ken kerken waar je als
organist behoorlijk in de toetsen moet grijpen om boven de
keuvelende gemeente uit te komen. Ik doe dat dan niet, want daar
gaat men alleen maar harder van praten. Ik speel mooi zacht, en kan
rustig mijn muziek wisselen tussendoor, want als het orgel even zwijgt
merkt men dat niet eens. In zulke kerken was het overigens bij
begrafenissen meestal wél stil voor de dienst, hoewel ik de indruk heb
dat dat de laatste tijd ook minder wordt. Vooral als de overledene al
op leeftijd was ziet niet iedereen aanleiding om in stilte de dienst af te
wachten. Stil zijn vinden we op de een of andere manier eng, lijkt het
wel.
Niettemin, mooi dat het land weer open gaat, en je als kerkganger
weer de mogelijkheid krijgt live aanwezig te zijn, en je
medekerkgangers te ontmoeten, en te spreken, vóór, tijdens en ná de
dienst! 

Kees Steketee

> COLUMNIST
> STARTPAGINA